Over Edo

Edo overleed op 7 juli 2015, vandaag een jaar geleden. Het verdriet begint weemoed te worden. Maar nog pijnscheuten te over. 

Het leek me het juiste moment de stukjes die dit najaar zijn geschreven nog een keer te delen, en dan in een bijgeschaafde versie, met hier en daar wat toevoegingen. Ook de herinneringen van Marja Kristel, Maarten Kuilart, Jaap de Jonge en Anita van der Hulst horen daarbij.

Verder heb ik nog een voorstel. Is een Edo-middagje een idee? Als er een vrucht van de schaal wordt genomen, plegen de andere dichter tegen elkaar te komen lichten. Met Edo lijkt echter zelfs de schaal te zijn weggenomen…

De onthulling van het beloofde monumentje op het Felisenum zou natuurlijk een mooier moment zijn voor zo’n reünie. Maar daar heb ik niets meer van vernomen. Is zaterdag 27 augustus een goed alternatief? Vier uur op het terras van Wildschut? Ik hoor het graag. Mail me even als het je een goed idee lijkt, of als je een ander voorstel hebt: keeslinthorst@hotmail.com  

 

Over Edo

 

 over edo

 

 

 

Inhoud

 

Herinneringen aan Edo Velema van

Kees Linthorst             pag. 3

Maarten Kuilart           pag. 67

Jaap de Jonge                pag. 72

Anita van der Hulst    pag. 77

Marja Kristel                pag. 82

 

 

 

Deel 1 – Het Lorentz    1974-1980

 

 

 Hoofdstuk 1              Kennismaking

 Edo Velema hospiteerde in 1974 op het Lorentzlyceum. Dat zat in Haarlem-Noord en ik zat daar in GA2,  een brave klas. Nederlands kregen we van een grote Fries met SDAP-baard, een Raspoetinachtige verschijning. Even daarvoor had die me voor de klas uitgekafferd omdat ik een opstelzin met ´want´ had laten beginnen en een dag later heel hard uitgelachen omdat ik Turks Fruit ‘een nogal vies en…, nou ja.., eigenlijk een nogal, hier en daar, kinderachtig boek’ had durven vinden. Daphne D., op wie ik in stilte verliefd was, lachte heel hard mee. Mijn voornemen om dokter te worden – en de humaniora voorgoed als delicaat drijfzand te laten – kreeg weer wat vastere voet. Maar toen verscheen Edo, de kwekeling; dat was in lokaal 301, terwijl de lentezon door de altijd scheve luxaflex scheen.

De hospitant had hip haar, langer dan wie dan ook in Haarlem-Noord, en een Nieuw-Links brilletje. Maar GA2 begon en groupe de messen te slijpen (c.q. propjes te kauwen). Want gestalte en motoriek van de hospitant waren een stuk minder cool; zelfs bij ons, gedweeë gymnasiastjes, riepen die allerlei akeligs naar boven.

Ik weet niet meer zeker waar zijn les over ging, ‘Jonge sla’ staat me bij, maar wie weet zette hij ons aan het ‘begrijpend lezen’. Wel weet ik nog dat iedereen luisterde, met kwaadaardige opwinding. Want woordkeus en zinsbouw waren minstens zo eigenaardig als zijn verschijning. Vooral merkwaardig waren de manier waarop hij zijn handen hield – voor zich uit, als een twijfelend kind. En dan was er dat zetje omhoog dat hij zijn bril om de tien tellen gaf. Het meest orde-ondermijnend was echter de manier waarop hij zijn torso draaide: met z’n hoofd eraan vastgebakken, dus zonder eerst even de hals te draaien om te checken waar de kwetsbare delen zich aan bloot zouden stellen. Dat draaien zonder voorafgaande inspectie – waardoor het vaak leek alsof Edo van de ene verbazing in de andere viel – heeft hij nooit meer afgeleerd, terwijl het hem die eerste les toch duur kwam te staan. Het bordgebruik dwong hem namelijk tot een hoop gedraai. Daarbij kwam dat zijn beginnersangst hem na elke notitie (en draai terug naar de klas) tot een stapje terug drong – zachtjes tegen het steeds voller gekrijte bord. Daardoor verschenen er witte vegen op de rug van zijn spijkerjasje. Dat gaf nog meer gegrijns. Maar omdat zijn hoofd zo langzaam draaide, kon GA2 steeds op tijd de gezichten weer in de plooi krijgen, aldus de arme hospitant onledig laten van het feit dat er geen kip meer luisterde. De boze Fries achterin de klas siste en bromde en voorkwam totale chaos. Maar van aandacht was geen sprake, uitsluitend van gegniffel. Totdat Daphne D. – de schat – Edo erop attendeerde dat z´n rug wit was. En dat op een toon die elke andere hospitant ogenblikkelijk tot een andere loopbaan had bewogen.

Van Edo’s reactie heb ik de volgende veertig jaar veel profijt gehad, zowel voor de klas als in de kroeg, als mijn bloed werd geroken. Hij nam zijn verlies namelijk volledig, maar ironiseerde z’n gestuntel tegelijk, door het enorm op te blazen, te hyperboliseren, alsof hij onherstelbaar gezichtsverlies had geleden. Klagend en zuchtend trok hij zijn jasje uit en begon het met grote gebaren uit te kloppen, zich in even wanhopige als deftige bewoordingen verontschuldigend voor de overlast die de krijtwolkjes de jongelui op de voorste rij – doorgaans toch de beste plaatsen – zouden kunnen veroorzaken. En daar lachte hij niet bij, nee, we kregen de clou niet cadeau. Het was zijn woordkeus tijdens de act, die ons iets leerde waar GA2 precies rijp voor was, te weten zelfspot en ironie (en wat die twee zoal vermochten).

De orde was er niet mee terug, maar het vileine gegniffel was genoeglijk gegiechel geworden.

Edo hervatte zijn betoog en wij wachtten welgemoed op de volgende uitglijder. Een handjevol vroegrijpe types spitste nu echter de oren, voelend dat er hier winst viel te halen, van een heel nieuw soort. Het gros bleef rumoerig. Tot er plots iemand fluisterde ‘Hou je bek eens, ik kan hem niet verstaan’. En daarna nog iemand.

Edo’s orde was een zelf-instigerende orde, een orde van verdienste.

Twaalf jaar later, toen ik bij Edo hospiteerde, zag ik dat hij havo-klassen ook tot aandacht kreeg, en die leken me toch minder vatbaar voor kunstig taalgebruik (plus dat ze lerarenzelfspot vooral als reserveammunitie pleegden te zien).  Hoe hem dat lukte, weet ik nog steeds niet precies. Misschien omdat hij ook nog eens ontzettend aardig was.

Edo Velema kreeg even daarna een baan op het Lorentz, jarenlang met een ontheffing, want z’n doctoraalscriptie bleef maar hangen bij de openingszin. Men besefte blijkbaar gelijk dat het hier ging om de beste leraar Nederlands ooit.

In de vierde kwam ik bij hem in de klas.

 

Hoofdstuk 2   Lessen in de 4de

 In de 4de werd Edo Velema mijn leraar en in de 6de vroeg ik hem om studieadvies. ‘Ik wil Nederlands gaan studeren,’ zei ik met glimmende ogen, klaar om me in zijn trotse armen te laten sluiten. ‘Dat zou ik niet doen,’ zei hij tot mijn verbijstering, ‘daar ben je het type niet voor.’ Met dat stomme advies was hij wel effe mooi te laat.

Edo kreeg gelijk, want hij kende me beter dan ikzelf (wat nog jaren zo bleef). Ik was geen analyticus, ik was slechts een romantisch jochie dat dol op lezen was. Mijn leven heb ik dus vergooid, zonder één tel spijt echter. Want in de 35 jaren die volgden wist Edo de pijn van mijn domme keuze op honderd manieren te verzachten, uiteindelijk zelfs om te zetten in vrolijke tevredenheid.

In de vierde had ik het gymnasium eraan gegeven (gezien mijn gebleken ongevoeligheid voor de letteren, c.q. Turks Fruit) en zoveel mogelijk exacte vakken gekozen. Ik  was bijna 15, nog steeds smoor op Daphne D. en zou dokter worden. Maar toen kreeg ik Edo, van A41 tot A61, en drie maanden later was alles anders. Mijn leven zou ik wijden aan waar ik niet zo goed in was. Hoe Edo dat voor elkaar kreeg, bij mij en een hoop anderen, zal ik proberen uit te leggen.

Van het begin af aan waren Edo’s lessen een vrolijke boel, het leek wel cabaret (scheppen suiker en slechts snufjes ‘wormcruyt’). Vooral de opstart was een feest en reden om je naar de klas te haasten, want de ‘anekdote van de dag’ mocht je niet missen. Dat ging dan over zijn bezoek aan tandarts (‘Poetst u wel driemaal daags?’), haringstal (‘Wilt u deze even vasthouden?’) of kapper (‘Uw haar is honingbeige’). Wij lagen dubbel en tegelijk liet hij zien hoe je een verhaal kon maken van bijna niets. Nadoen was een tweede, want geen mens had Edo’s oog voor absurd middenstandersgedrag.

Die intro’s waren onderdeel van zijn begroetingswijze. Ook later hervatte hij de conversatie, al was dat soms bij een weerzien na maanden, met wat voor fantastisch’ hem diezelfde middag was overkomen, in de taxi of bij de groenteboer. De lessen waren zoals later de avondjes met hem: leerzaam, hilarisch en meeslepend, van de eerste tot de laatste seconde.

Na die vrolijke opmaat kwam het boek op tafel dat hij net had gelezen. Daar las hij dan een ‘geniaal’ stukje uit voor. Slechte boeken leken hem niet onder ogen te komen (hij schiftte natuurlijk, maar wij wisten nog niet dat hij sneller las dan God kon schrijven). Na school haastten we ons dan naar de bieb voor meer van dat geniaals. Dat Edo dan de twee enige lollige passages had voorgelezen, heb ik hem meerdere malen vergeven.

Tot de 4de kwam het bij mij niet verder dan af en toe een ‘Paddeltje’ en ik was ervan overtuigd dat er maar twee soorten boeken bestonden: jongens- en meisjesavonturenboeken. Edo bestreed dit niet, maar maakte, druppel voor druppel, duidelijk dat er meer was. Na een half jaar was iedereen om. In mijn geval hielp ook het toeval een handje.

Mijn grote zus moest voor haar lijst lezen en had, tijdens een verregende vakantie, Vestdijks ´De Andere School´ meegenomen. Ik verveelde me en ondanks de saaie kaft, sloeg ik het open. Ik stuitte op duizend moeilijke woorden, en sloeg het snel weer dicht. Maar de regen hield aan. Dus probeerde ik het nog een keer, en nog een keer. En toen, ineens, was er geen weg meer terug. Een broeierig psychiatrisch rapport leek het, zeker niet voor publicatie bedoeld, vol onthutsende inzichten, over dingen die alleen ik dacht te weten, bijvoorbeeld over dat kreng dat mij niet wou.

In de weken daarna las ik de eerste vier delen van de Anton Wachtercyclus, in stilte, want het leek me niks om trots op te wezen (wat ‘snob value’ was, leerde Edo me pas twee jaar later). Over de moeilijke woorden las ik heen, fraaie formuleringen waren me worst en de structuur leek me nogal wiedes.

En toen moest ik een spreekbeurt houden. We hielden al erg veel van meneer Velema, maar zijn zaaisel was nog niet geheel ontsproten. Veel voordrachtjes gingen dan ook over semi-literaire flutboeken (ook in ’76 al keuze te over). Je hoefde, geloof ik, niet van tevoren te melden welk boek je had gekozen, niks voor Edo immers, die zich zelfs van de rotzooi op de hoogte hield, en die al te lakse keuzes voorkwam door de toon van zijn lessen: daar ging een vanzelfsprekendheid van uit die je dwong tot een respectvolle keuze. In mijn geval viel er echter niks te kiezen, want dat andere vieze boek dat ik had gelezen viel af.

Een leraar behoort geen lievelingetjes te hebben. Bij Edo voelde elke leerling zich echter het lievelingetje. Ook etters en ‘langzaamlerenden’ konden rekenen op warme aandacht (en belangstellende vragen over de drie weken eerder geschaafde knie). Slechts zelden lukte het hem niet om zijn bijzondere enthousiasme te onderdrukken. Dat was als één van ons plots op een wel zéér wenselijke wijze uit de hoek kwam. En dat deed ik, op die novembermiddag in lokaal 301.

Ik mompelde een kwartiertje voor me uit, over wat er zoal in ‘De Andere School’ gebeurde, wat ze er op de achterkant over zeiden en onthulde dat Vestdijk uit Harlingen kwam dat in Friesland lag. De broeierige details omzeilde ik, om geen vermoedens bij mijn Ina Damman te wekken.

Toen ik klaar was, sprong Edo naar voren, armen in de lucht. ‘Prachtig,’ riep hij tot mijn stomme verbazing. ‘En als je dit mooi vond, moet je weten dat dit boek onderdeel is van…’ ‘Weet ik,’ fluisterde ik, ‘ik heb er een paar van gelezen, een stuk of vier.’

Ik kreeg een 8. En dat voor een spreekbeurt! Blijkbaar had ik iets geweldigs gedaan. En dat volgens een man die ik heel aardig, heel grappig en héél slim vond. Deze man wilde ik graag tevreden houden.

Ik stortte me dus op iedere schrijver van ‘geniale’ passages. Wis-, natuur- en scheikunde werden een kwellende tijdverspilling. Edo verrassen of, liever nog, verbazen, werd een levensopdracht.

 

Hoofdstuk 3   Haren van Reve

In het voorjaar van ’77 waren we door Edo, in nog geen half jaar, veranderd van bleue bruggers in bijdehante bohemiens. Voor voetbal en padvinderij was schielijk bedankt, de postzegelverzameling verkocht, de Beatles verruild voor Brecht en geld en tijd werd enkel nog besteed aan Literatuur. In de pauzes ging het nu over politiek en filosofie en losjes verwezen we naar de schrijvers die Edo terloops had geratificeerd. Met een mengsel van ernst en meligheid had hij onze blik verruimd en onze pubersores een geweldige nieuwe spiegel bezorgd.

De ernst kwam vooral in de vorm van poëzie. Wekelijks kregen we een gedicht voorgelegd, op een minuscuul papiertje, want stencilen was een heel gedoe. Zo passeerden ons Du Perron, Nijhoff, Vestdijk, Marsman, Engelman, Bloem, Andreus, Lucebert en Hans Vlek, soms zware kost maar nooit vaag.

Edo begon steevast met een ingetogen voordracht en stelde dan wat vragen over lastige enjambementen. Na een kwartiertje wisten we allemaal wat de dichter bedoelde. Ook wisten we dat het héél mooi was, en bovendien waarom. Want met zijn slotdeclamatie wist Edo alle gezindten mee te slepen. Alles kende hij uit zijn hoofd en alle ‘geniale’ klank- en ritmezaken kon hij dus kracht bijzetten middels zang & dans. Soms deed hij dat middels koket gedribbel (‘pizzicato’), dan weer met bezwerend armgezwaai (‘traag en oneindig’). En alle monden zakten open als Edo zon & zee bliksemend open liet springen.

Edo 1978
Edo in GA4, 1976, met Lilien Macnack, Alice Derksen en Daphne Dolfin (helemaal rechts)

 

Maar het kon ook heel melig. Bijvoorbeeld toen de zusjes Van der Sluijs (met een vader die belangrijk was bij Elsevier) in de klas hadden laten vallen dat Reve bij hen op bezoek was geweest en… hun een lok van zijn haar had geschonken. Hoewel we pas bij Forum waren, gooide Edo onmiddellijk zijn programma om en behandelde vliegensvlug leven en werk van de Volksschrijver, inclusief zijn ‘Apologie’ waarin Reve claimde dat het grijs uit zijn haar, na overgang tot het katholicisme, in één nacht was verdwenen. De lok werd naar school gebracht en Edo regelde een interdisciplinair onderzoek met de biologiesectie. Petra zat een klas hoger, dus ik heb er niet naast mogen staan, maar diezelfde dag gonsde het al door de school: Mevrouw Hordijk had wetenschappelijk aangetoond, wat wij (na één les al Revisten) wilden horen: Deze haren waren niet geverfd!

Tot publicaties hierover is het niet gekomen, maar de impact voor ons was groot. Literatuur was dus niet alleen erg belangrijk maar ook erg leuk. En het werd nog leuker.

 

Hoofdstuk 4 – Ubi sunt?

 Op het Lorentz raakte Edo al gauw bevriend met Philip Ingelse, leraar Frans. Op de gang stonden ze samen te roken, Edo Marlboro’s en Ingelse Pall Malls. Heel cool zag dat eruit. Van de 4de tot de 6de had ik les van allebei en met mij nog 25 andere mazzelaars. Dit waren de Lennon & McCartney van het talenonderwijs: Ze vulden elkaar aan en jutten elkaar op. Bovendien waren ze dikke vrienden. Niet alle 35 jaren die volgden overigens, want ze hadden flink verschillende temperamenten. Maar na een inzinking in de jaren ’80 – zware tijd voor de jonge bewonderaars, want we hielden van allebei evenveel – zouden ze elkaar weer in alles steunen, tot het einde.

Hun kijk op de mens was nogal progressief, hun onderwijsvisie nogal conservatief, terwijl hun lessen zich, in hun eigenzinnigheid, onttrokken aan alle kwalificaties. Om te janken zo mooi.

In de 5de (’77/’78) vonden ze het grensoverschrijdende projectonderwijs uit. ‘Ubi sunt?’ was het eerste thema, over de ‘vergeefsheid der dingen’. Zowel bij Frans als Nederlands kregen we Franse, Nederlandse maar ook Duitse en Engelse gedichten en liedjes voorgelegd, van Villon en Marlène Dietrich tot Brecht en Ferré. Niemand protesteerde als Edo er plots Shakespeare bij sleepte, want de grens tussen school en wereld was voorgoed geslecht. Nog gaver was dat ‘eigen bijdragen’ welkom waren. Want Ingelse & Velema mochten dan wel heel veel weten (onovertrefbaar als interactieve zoekmachine), qua popmuziek hadden ze een jaar of vijf eerder afgehaakt. Op instigatie van een punker liet Edo dus The Stranglers (No more heroes) door de klas knallen en ik verblufte het duo met ‘Where has my spring go?’, een Ray Daviesnummer dat ze warempel nog niet kenden. Onze liedjes werden intertekstueel ontleed en bediscussieerd: we leerden in een schitterend geleide democratie.

Eens per maand waaierde de discussie nog verder open. Dat gebeurde op vrijdagmiddagen, nadat ‘de filmcommissie’ (ook o.l.v. Ingelse & Velema) in de aula een klassieker had vertoond. Na afloop fietsten dan een man of tien naar ‘Willem’, een smoezelig koffiehuis bij de Cronjéstraat, met morsige mannetjes en bier in flessen. Gaver kon niet. Daar zaten we in een kring en bespraken de wereld. Eerst werd er nog eerbiedig naar de leraren geluisterd, maar na het tweede biertje vergaten we de omgangsvormen en bestreden we schuimbekkend hun absurde ideeën, bijvoorbeeld dat Dylan een rijmelaar was (‘alles gejat van Rimbaud’) of dat popmuziek, zelfs Jimi Hendrix!, geen kunst was. Woest waren we, want van die popmuziek wisten wij toch wel even meer dan die twee hippies! En verder lagen we vooral dubbel van de lach. Om zes uur fietsten we weer naar huis, zigzaggend van het bier en thuis nog uren tollend van genot.

De mensen die er toen bij waren, hebben elkaar steeds weer opgezocht, om de zoveel jaar, 37 jaar lang, tot het einde, alleen al om zachtjes ‘Koffiehuis Willem’ te kunnen zeggen. Fuck. Où sont les neiges d’antan?

 

Hoofdstuk 5 – ‘Genieten volop’

 ´Meneer, hebt u zelf ook weleens een boek geschreven?´ Want als je zo knap was en zo mooi kon praten, dan moest dat toch wel? Maar meneer Velema publiceerde niks. Groot was onze teleurstelling. Wat hij er toentertijd als reden voor opgaf, ben ik vergeten. We zagen het als bescheidenheid, of als ondoorgrondelijk bewijs van een onbevattelijke wijsheid. Maar mocht dat boek er toch ooit komen, dan waren wij de eersten etc.

Af en toe zette de plicht of de wellevendheid hem voor het blok. Bijvoorbeeld in de zomervakantie na de vijfde (1978), toen een stel van ons hem jolige ansichten stuurde, in de hoop op een kaartje terug. We kregen allemaal hetzelfde antwoord: Beste …, Genieten volop. Groeten, Edo. Alleen met aperte clichés kon hij zijn perfectionisme trouw blijven.

Zakelijke correspondentie lukte nog net. Meestal waren dat keurige plaksels van vaste frasen waarin hij zorgvuldig iedere pretentie van oorspronkelijkheid vermeed. Ik heb er nog een paar, uit de hospiteer- en uit de Roemeniëtijd, en koester ze, want tussen de regels lees ik het vrolijke venijn dat aan het keurige eindproduct voorafging.

Later begreep ik dat hij bijna vijf jaar les had gegeven met een ontheffing, omdat z’n doctoraalscriptie maar niet afkwam. Dat begon me pas echt te verbazen toen ik rond ’87 opstartproblemen kreeg met mijn eigen scriptie. Ik ging naar de Amsteldijk om raad. ‘Iets over Vestdijk, Hotz, Reve, Van Oudshoorn, Dèr Mouw?’ opperde ik. En ik luisterde ademloos, tot diep in de nacht. Vijf kant-en-klare scripties rolden eruit: de briljante ideeën buitelden over elkaar heen. De emmers cognac die we daarbij ledigden, tastten het niveau niet aan, wel mijn geheugen. Zo jammer dat ik toen geen recordertje bij de hand had. Zo jammer dat Edo niet altijd met een recordertje rondliep.

Slechts één keer heb ik z´n woorden letterlijk kunnen noteren. Dat was begin jaren ’90 toen ik reisgidsjes schreef voor Kosmos. Edo kwam op bezoek, terwijl ik vocht tegen een deadline. Kosmos had een paar honderd woorden meer geëist voor ‘Bulgarije’, maar ik was leeg. Edo niet, ook al was hij nog nooit in dat land geweest. Onder het kopje ‘Eten en drinken’ is dus de volgende totaal disproportionele parel te vinden: De fameuze, al geruime tijd in Nederland en België in vele smaken verkrijgbare ‘maritsa-jam, vernoemd naar de rivier die Bulgarije doorsnijdt, heeft u wellicht een voorproefje gegeven van wat Bulgarije vermag op het gebied van jam, gelei en inmaak. Edo vermocht veel, zolang z’n naam er niet onder hoefde.

Dat Edo geen fictie schreef, kon ik al gauw accepteren: dat strookte niet met zijn karakter en andere talenten. Wel bleef het me ergeren dat iemand met zoveel visie en belezenheid zich niet tot literaire kritieken kon zetten en, nog meer, dat menig kraai met zijn veren liep te pronken, tot in VN aan toe. Beetje flauw natuurlijk, die ergernis, want de juweeltjes die hij je aanreikte waren vaak te talrijk voor bronvermelding. Bovendien bleef Edo voor velen altijd de leraar, dus voelde het als een recht, haast een plicht om hem te kopiëren. En weggooien was zonde.

Edo’s weigering om zijn literatuurideeën op papier te zetten, kwam waarschijnlijk voort uit perfectionisme (‘anderen kunnen het mooier dan ik’) en uit het fatsoen dat zijn rationele inborst hem oplegde: ‘je hoort de wereld niet op te zadelen met halve waarheden’. Vandaar dus dat zijn studie al snel de taalkundekant uitging, de kant waar af en toe nog wel iets concreets en falsificeerbaars uit voortkwam. Maar ook in dezen kwam vrijwel niets op papier. En dat terwijl hij uren kon oreren over ‘de Beregeling van het Nederlands’.

Hij bewonderde Chomsky en liep weg met Simon Dik, maar voor minder geschoold publiek (of als hij je zachtjes op je nummer wilde zetten) kon hij prima uit de voeten met de traditionele terminologie. Kwesties waar ik – inmiddels grammaticadocent in den vreemde – de ANS vergeefs voor had doorploegd, loste hij meestal in drie tellen op. Het werd een sport syntactische anomalieën te spotten die Edo waren ontgaan. Ieder puntje dat ik scoorde was feest.

Een jaar of tien geleden – misschien al eerder – begon Edo zich in het bijzonder te interesseren voor de volgorde van de modale partikels (c.q. ‘kleine rotwoordjes’). Waarom was het ‘toch nog maar eens’ en niet ‘toch maar nog eens’? Hij beweerde warempel er iets over te willen publiceren. Maar ook dat is niks geworden, zelfs niet het kleinste artikeltje. Misschien kwam dat omdat er al gauw een lawine loskwam over het onderwerp (waarvoor Edo ongetwijfeld ooit ergens op een avondje het eerste steentje had losgeschopt), misschien omdat hij zijn ideeën op een avondje gratis had weggegeven aan een Sloveense promovendus, of misschien omdat de literaire grootheden hem zelfs bij het opstellen van een taalkundig artikel over de schouder bleven kijken.

Kortom, Edo’s schriftelijke nalatenschap is miniem, vrijwel nul. Terwijl zijn literaire en wetenschappelijke invloed aanzienlijk moet zijn geweest. Onuitstaanbaar. Edo had verdomme beroemd moeten zijn.

Een lekker afscheidsfeest op het Felisenum wimpelde hij af (een ronkende toespraak lag klaar), doodgaan deed hij veel te snel (een afscheidsbrief voor als de artsen het op zouden geven, waar ze nooit toe kwamen, lag klaar) en de 300 (?) mensen op de begrafenis stelden me teleur: dat hadden er 3000 moeten zijn.

In ’79 deed ik eindexamen. Bij de diploma-uitreiking in de aula zaten de docenten op een podium en werden bedankt door de rector. Toen Edo aan de beurt was, zette een leerling een ‘chant’ in, op de wijs van ‘Heja Jan Bols, heja Jan Bols’: Alle 100 leerlingen, ook die geen les van hem hadden gehad, zongen en klapten mee: ‘Edo bedankt, Edo bedankt, Edo, Edo, Edo bedankt’. Edo onderging het met een knalrood hoofd. Veel te bescheiden was de man die altijd overal het middelpunt was.

Ik hoop dat hij die middag nooit vergeten is en ook dat hij zag dat ik meezong, met kippenvel en een beetje medelijden.

[Edo’s doctoraalscriptie: “Velema, Edo. 1979. Een marginale passiefconstructie in het Nederlands. M.A. thesis. Department of General Linguistics, University of Amsterdam.”.]

 

 

Hoofdstuk 6 – Pseudo-identificatie

Edo was 19 toen hij het Maagdenhuis bezette en 29 toen we eindexamen deden. Dat had lelijk uit kunnen pakken, zeker in het jarenzeventigonderwijs. Maar Edo hield het roer recht.

Ook in ’79 waren er drie soorten leraren: schlemielen, chagrijnen en bevlogenen. De laatste groep moest in die tijd echter nog een keer gesplitst worden in de ‘zeg maar Jan’-types (want ‘u’ is reactionair, ondermijnt de solidariteit) en de types die vermoedden dat er meer was dat de reactie in het zadel hield. Edo liet de kwestie in het midden en wij, even solidair als respectvol, vermeden in zijn geval de 2de persoon enkelvoud in z’n geheel, temeer daar we de ‘zeg maar Bert’-docenten een beetje griezels begonnen te vinden. (In die tijd liepen ook in Haarlem-Noord de sixties op hun eind, Bob Dylan was Joy Division geworden).

Het opbouwjargon raakte besmet, maar ‘alternatief’ wilden we nog heel graag zijn. En dan kon je met Edo voor de dag komen. Die woonde zeer alternatief op een hofje, in Amsterdam nog wel, en dat met een mysterieuze mooie meid (die ‘maar liefst ‘Jeannette’ heette). Daar mocht je in het weekend zomaar langsgaan, voor een boterham. [Hij liet bij zo’n gelegenheid het nummer ‘Marie’ van Randy Newman horen. Onvergetelijk moment, vechten tegen de tranen. Het woord ‘edelkitsch’ dat hij ons erbij leerde, leek me hierl uiterst ongepast.]  Bovendien kwam hij naar feestjes, zoals toen in de 5de, bij de zusjes Van der Sluijs. Daar durfden we voor zijn neus (en die van kompaan Ingelse) gewoon hartstikke dronken te worden en zelfs klapboem-joints (met zo’n wc-rolletje, voor meer effect van je kruimels) op te steken. Daarvoor werden we niet gerapporteerd, alleen maar uitgelachen.

Edo was daarmee een blitse kennis en tegelijk een cijfergevende docent. Van ‘twee gezichten’ was echter geen sprake, wel van twee werelden. De drempel van het klaslokaal was de grens daartussen en niemand die het daarvoorbij in z’n hoofd haalde over getoonde zwaktes te reppen. ‘Meneer Velema’ klonk in beide werelden als een koosnaampje.

Of Edo die werelden echt zo goed uit elkaar kon houden, heb ik twee keer betwijfeld. De eerste keer was een week na het Van der Sluijsfeest. Ik had mijn meniscus gescheurd en de operatie was niet volgens plan gegaan. Tot mijn zeer grote trots kwamen Ingelse & Velema op ziekenhuisbezoek. Ze brachten een bos papaverbloemen mee, een geinige knipoog naar de klapboemsigaret. Maar mijn moeder zat daar verdomme ook, en die was niet gek! Ze hielden het gelukkig bij vals gegrijns (mijn moeder aldus onledig houdend van mijn drugsverleden).

Van Ingelse kreeg ik trouwens Célines ‘Voyage au bout’ (warempel fijne kost voor een ziekte 17-jarige) en van Edo ‘De Opperlandse Taal- en Letterkunde’. Dat speldde ik uit, hysterisch giechelend, en ook nu nog rollen de “guitspasten, geleende spullen en karige hutjes” er onmiddellijk uit als ik aan de nachten terugdenk dat ik daar lag te luisteren naar het doodsgerochel van mijn zaalgenoten.

In de volgende 35 jaar kreeg ik nog tientallen boeken van hem cadeau, heel dure vaak. Bij afspraken kwam hij altijd binnen met een zinnenprikkelend atheneumtasje. Daar toverde hij nieuwe aanwinsten uit tevoorschijn en ik, als een kind bij oma, luisterde dan ongeduldig naar zijn enthousiaste toelichtingen. Want ik wist dat er onderin de zak nog iets héél spannends zat, voor kleine Kees.

Ik kon er zelden iets behoorlijks tegenoverstellen, omdat ik lang een armoedzaaier bleef, omdat hij altijd alles al had en omdat je oma’s ook hooguit een mooie tekening teruggaf. Die tekening had bij mij meestal de vorm van een heftige indie-cd (die na drie minuten hoofdschuddend werd afgezet), later vaak de vorm van een derdehands Vestdijkvertaling (zoals ‘Chelnerul şi supravieţuitorii’). Echt schuldig voelde ik me daar niet over: al te snel was ik een verwend protegeetje geworden.

Mijn vertrouwen in Edo’s discretie werd nogmaals op de proef gesteld toen hij me twee weken na mijn ziekenhuisontslag thuis bezocht, want mijn knie wilde maar niet genezen. Ineens zat mijn held bij ons op de bank, naast mijn moeder. Godsamme, het was hem toch wel duidelijk dat ik mijn ‘alternativiteit’ aan mezelf had te danken, beslist niet aan mijn ouders? En dat er meer grenzen waren dan de drempel van het klaslokaal? Hij snapte het, goddank, en zette zijn deftige stem op. Met die stem (een octaafje lager en een tandje bekakter) had ik hem poëzie horen voorlezen en later kopstukken horen aankondigen en beleidsmakers horen ompraten. Nu hoorde ik hem – wat een engel was het toch – er precies mee vertellen wat mijn moeder wilde hoorde.

Zeven jaar later, in ’86, liep ik stage bij hem, want net als https://paulmsmit.wordpress.com/2015/07/07/meneer-velema/ wilde ik ‘Edo Velema worden’. Dat zat er niet in, ook niet toen ik het (weer 12 jaar later) voor echt op een middelbare school probeerde. Er was een valkuil waar ik keer op keer indonderde, met volle gewicht. Edo diagnosticeerde mijn gehannes en wees de oorzaak aan: ‘pseudo-identificatie’ was het probleem, een bekende fout van beginnende leraren. Lollig doen buiten de les, alla, maar dan even later weer orde houden en rapportcijfers geven, dat vergde uitzonderlijke stuurmanskunst. Edo kon het, omdat hij leut kon maken zonder banaal te worden, zelfs niet na het derde glas. Hij kon het omdat er niets banaals in hem stak, ook de laagjes van voor de Maagdenhuisbezetting waren smaakvol en respectabel. Ik was echter een product van de democratisering, ik had leren lachen om André van Duin, genieten van voetbal en de Village People. Ik was weliswaar goed doordrongen van wat echt telde, wat het mensdom werkelijk voortstuwde, maar dat vergat ik zodra ik voor een groep 16-jarigen stond, dan ging ik door de knieën, probeerde ze te paaien met mijn ‘ik heb ook geblowd/gespijbeld/geklooid’ (en ben dus geen ouwe lul)’! Dat gefleem liep echter steevast uit op nóg meer chaos en nóg minder belangstelling voor al het schoons waarvan ik toch zó doordrongen was.

Naar veel van Edo’s uitstekende adviezen heb ik niet geluisterd. Wel naar zijn verhaal over pseudo-identificatie. Maar ik besefte dat ik het nooit zou kunnen laten. Ik besloot dus alleen nog les aan volwassenen te geven. Een tweede Edo zou en zal er nooit komen.

 

 

 

 

Deel 2 – De Jaren Tachtig

 

Hoofdstuk 7 – Dansen bij Jansen (begin jaren ’80)

Waar werd die Velema toch zo enthousiast van? Ik moest het weten, had geen dag te verliezen, en rende dus voor alles wat hij aanprees naar de bieb. In de 5de en in het eindexamenjaar las ik daardoor, standaard, vijf boeken tegelijk, zodat ik over elk vast een beetje kon meepraten. Prachtige cijfers haalde ik voor Nederlands en Frans. En voor de rest zakte ik als een baksteen. Maar wat dan nog? Er was toch niks leukers dan de middelbare school?

Dat dit alleen aan Ingelse & Velema had gelegen, besefte ik pas toen ik me, het volgende examenjaar, terugvond in een klas vol sukkels die niet wisten wie Vestdijk was, die les kregen van…, tja, hoe heetten die lui ook al weer?

In 1980 ging ik, op afraden van Edo (zie hoofdstukje 2), Nederlands studeren, aan de UvA. Edo was inmiddels verhuisd van het Looijershofje naar een raamloos souterrain op de Prinsengracht. De eerste studiejaren zag ik hem niet veel, want te druk met m´n nieuwe vrijheid. Eén of twee keer per jaar ging ik op bezoek, vaak met Poul Gottmer (ook een idolate oud-leerling). Dan wentelden we ons in zijn grandioze gastvrijheid en genoten van het geboden totaal-theater. Heen en weer rennend, van pick-up naar keukentje, ratelde Edo over trampolinespringende sopranen, in brand staande obers en alle nieuwe boeken die we per se moesten lezen. Ondertussen nuttigden wij heerlijke hapjes en dure drankjes met fraaie Italiaanse namen. Hoogtepunt was een avond in ’81, toen hij net John Irving had ontdekt. Alles werd nagespeeld: beren op motorfietsen en opgezette honden die uit de kast sprongen. De Hollywoodversie van een jaar later was stukken minder.

Het knapste was dat het hem, tijdens het uitserveren en entertainen, ook nog lukte om de juiste vragen te stellen over onze levens en studie, en dan ook nog eens te luisteren naar onze antwoorden. Die warme aandacht gaf ons de moed om ons platvloerse zelf te zijn. En hoewel we eigenlijk diep vereerd waren dat hij ons geestloze gezelschap verdroeg, begonnen we, na nog een glaasje grappa, hem dan zijn wereldvreemdheid onder de neus te wrijven, als welgemeende wederdienst. Onder luid protest stopten we allerlei helse new-wave in z´n cassettedeck. Die moest in zijn heftigheid toch minstens zo belangrijk klinken als dat klassieke schoons van hem. Daarnaast was er het cabaret, waar Poul (toen rijzende ster) toch veel meer vanaf wist dan Edo. Pouls talent kreeg alle ruimte. Maar onze pogingen om Edo wat wereldwijzer te maken leken vergeefs: alles werd vrolijk-sarcastisch terzijde geschoven, als gejatte flauwekul. Maar hij genoot volop en onthield alles.

Bij nader inzien denk ik dat mijn functie in Edo´s leven die was van boodschapper uit de onderwereld. Als roekeloos middenklassemannetje, behept met een hang naar het hogere, was ik daar geknipt voor.

In de jaren ’90 was ik behalve boodschapper, ook enkele keren zijn veerman naar die onderwereld. Een voorproefje daarvan gaf ik in ´82, nadat we doorgezakt hadden in café De Zwart. De tent ging dicht en we lustten er nog wel eentje. Dansen bij Jansen dan maar? Een volledig zwart geverfde disco was dat toen, nog tamelijk punk. Ik kwam er veel, vanwege de leuke meisjes. Edo wilde wel mee, niet gehinderd door pak en stropdas. Ik liet me trots begroeten door de uitsmijter en vond een tafeltje met uitzicht over de dansvloer, vol pogoënde punks. ´Tanz der Mussolini´ speelden ze, wel drie keer, en wij schreeuwden geanimeerd een uur lang over mijn werkstuk over Vondels bruiloftspoëzie.

 

Hoofdstuk 8   Vriendschap en leraarschap (eind jaren ’80)

De weken na Edo’s overlijden heb ik het een paar keer trots geroepen: ‘Ik ben 40 jaar bevriend geweest met Edo’. Maar het is niet waar, opschepperij, hooguit de halve waarheid.

‘We waarderen u niet alleen als leraar, maar ook als mens’, grapten we in 1980 op een ansicht aan Edo. Ook dat was niet meer dan de halve waarheid: voor de mens kwam de waardering pas tien jaar later. Tot die tijd zag ik hem als vrolijke vraagbaak, als instituut voor kennis en amusement, een zeer gerespecteerd instituut weliswaar, bijna heilig, maar zonder geschiedenis, niet vatbaar voor hoofdpijn of verdriet, en dus dag en nacht dienstbaar. Leraren zijn als ouders: hun toewijding verliest voor het kroost pas vanzelfsprekendheid als dat zelf aan de bak moet. En dat hoefde ik nog lang niet.

Van Edo’s ootmoed werd door zijn oud-leerlingen dus onbekommerd geprofiteerd, terwijl hij in de jaren ’80 ongetwijfeld veel kopzorgen had. De relatie met Jeannette was een ‘lat’ geworden en hij was in een kelder op de Prinsengracht gaan wonen. Wat later probeerde hij het een tijdje in Haarlem, op de Nieuwe Gracht, eenzaam ver weg van Wildschut en Concertgebouw. Eind ’86 werd er ijlings terugverhuisd, naar de Amsteldijk, ook omdat zoon Jan werd geboren. Die huisde voornamelijk bij Jeannette, maar de trotse vader wilde toch graag een schattig kinderkamertje inrichten. Het werk op het Lorentz in Haarlem-Noord had ondertussen zijn glans verloren en vanaf ’85 had hij bijbaantjes, onder andere op een Haarlemse moedermavo en op de Hogeschool Amsterdam. Dat werk viel tegen, mede door rampzalige reorganisaties. De vriendschap met Philip Ingelse was in het slop geraakt, door uit de hand gelopen meningsverschillen. Ik vermoed dat het een zware tijd voor hem was.

Maar hoe het echt zat – met zijn vaderrol, met Ingelse, zijn arbeidsvreugde, zijn relaties en ook met zijn al te onmatige eet- en drinkgedrag – kwam ik niet te weten. Deels was dat omdat ik hem bleef zien als onaandoenlijke onderwijsinstantie en deels omdat Edo niet graag over zichzelf praatte (al het persoonlijke liefst gelijk in groter verband plaatste). En mijn eigen schuld was het ook, want als een kind rebbelde ik bij ieder weerzien maar door over eigen avonturen, eigen kunststukjes, opdat hij maar net zo trots op mij zou zijn als ik op hem. Vriendelijk knikkend liet hij me babbelen, als een wijze vader, als de onaandoenlijke onderwijsinstantie die hij in die tijd misschien graag wilde zijn.

Pas heel veel later, met zelf een zoon en zelf voor de klas, kwam ik op het idee om door te vragen en te luisteren. Langzaamaan kwam ik meer te weten over zorgen en verdriet. Maar zijn ouders en broer Wycher kwamen bijvoorbeeld nooit ter sprake. Geen idee dus of zijn Groningse jeugd iets te maken had met de stormen uit deze tijd, ook niet of het juist die noordelijke inborst was die hem op de been hield.

(Eén anekdote uit zijn jeugd herinner ik me. Het ging over een zwanger dienstmeisje (uit zo’n familie kwam hij dus). ‘Wie is de vader?’ had vader Velema gevraagd. ‘Meest Winsummers,’ had het meisje geantwoord.)

Na ’88 kreeg ik de indruk dat het beter met Edo ging. Hij kreeg een baan op het Felisenum in IJmuiden, de plek waar hij de geweldigste dingen voor elkaar kreeg. Tegelijkertijd ontdekte ik iets in de reisgidsenkelder van Allert de Lange, wat mijn, maar ook Edo’s leven een leuke wending zou geven. En dat zou ertoe leiden dat we, na 17 jaar, langzaamaan bevriend begonnen te raken.

 

Hoofdstuk 9   Intra muros (’89 -’91)

In 1989 stond ik in te pakken achter de toonbank van een zieltogende boekhandel op het Damrak. Twee jaar later zat ik het wezen der poëzie te bespreken op een ambassadesoiree met de Roemeense minister van cultuur. Dat was zowel ondanks als dankzij Edo. Eerst iets over dat ‘ondanks’.

In ’89 begon ik Edo weer vaker te zien. Het Felisenum bleek een lusthof voor bescheiden genieën; hier kon Edo al zijn talenten botvieren en zonder gezeur zieltjes winnen voor al wat moeilijk maar mooi was. Al zijn eieren kon hij hier kwijt, op één na.

Eens per maand kwam hij langs, meestal op vrijdagmiddag vlak voor winkelsluiting, om met z’n aankopen het leven van Allert de Lange nog wat te rekken. En ik, zo dicht op het vuur, kon de allesweter warempel soms met iets verrassen. (’89 en ’90 werden de enige jaren waarin ik evenveel las als Edo, ik bedoel natuurlijk, evenveel aan het lezen was, want hij bewees me in die dagen voorgoed drie keer zo snel te lezen als een normaal mens.)

Na kasopmaak wandelden we naar een kroegje achter de Nieuwe Kerk en praatten over nieuwe boeken, de liefde en vooral over de zegeningen van het gymnasiumonderwijs. Wildenthousiast was hij. Ik moest daar ook solliciteren! En anders wel op het oude Lorentz, dat was sinds kort weer leuk, want daar maakte zijn vriend Maarten Kuilart nu de dienst uit. Ik spartelde tegen, dacht aan mijn gehospiteer in GA3, drie jaar eerder, zag het blonde nest weer voor me dat om de 10 minuten gapend ‘Wanneer komt meneer Velema weer?’ had gevraagd. Maar Edo’s geestdrift dreigde drift te worden, en ik gehoorzaamde.

Met Edo’s geloofsbrieven werd dat sollicitatiegesprek een onderonsje voor de vorm. ‘Ik moet er nog heel even over nadenken,’ mompelde ik echter de volgende dag aan de telefoon tegen meneer Kuilart. Ik schaamde me kapot, meed Edo een maand en meneer Kuilart tot de dag van vandaag. Sorry Maarten.

Ik begon nu toch wat te verpieteren in die boekwinkel, maar toen, hoera, brak er een revolutie uit in Roemenië. Een doodeng land, zo leek het op tv, maar na twee jaar boekjes inpakken was ik toe aan rondmaaiende mijnwerkers. Bruikbare reisgidsen over Roemenië waren al jaren niet meer te koop, enkel morbide propagandaboekjes. Ik waagde het Jan Willem Bos te bellen, de enige Nederlander die het land echt kende (later goed bevriend met Edo, ook vanwege zijn Cărtărescu-vertalingen). Hij gaf me adressen en overlevingstips en begin 1990 nam ik ernstig afscheid van vrienden en familie.

Een achtergebleven, ontredderde wereld trof ik aan. Maar wat een lieve mensen. En zo netjes en gastvrij! Van geweld op straat of van schuldige klootzakken geen spoor. Twee weken later kwam ik terug uit dit schattige jarenvijftiglandje en werd als een held binnengehaald. Dat smaakte naar meer.

Ik rebelleerde, Edo kon de pot op: ik zou geen leraar worden, maar groot schrijver. Ik belde Kosmos, toen de belangrijkste reisgidsenuitgever, en blind gaf die me 1000 gulden voor een gidsje over het land waar in die maanden alleen nog gekken en hulpverleensters naartoe wilden.

Edo trok z´n wenkbrauwen op en ik vertrok. Twee maanden reisde ik rond. Ik bezag de woeste natuur, de verwoeste steden maar ook het moois dat Ceausescu over het hoofd had gezien. Qua kunst en architectuur was dat niet heel veel (Drenthe zou me, volgens Edo´s latere inschatting, meer tijd kosten). Kosmos verwachtte evenwel een positief verhaal en dat vergde de nodige verdraaiingen en emmers vol eufemismen. Edo bekeek de drukproeven – lachte me uit om m’n clichés – en kwam daarop aanzetten met Malcolm Bradbury´s ‘Why come to Slake?’. Dat zou in de jaren daarna ons beider lijfboekje worden. Lees het als je wilt weten hoe je Edo, huilend van de lach, onder de tafel kon krijgen.

Mijn flutboekje werd een bestseller – de gekken en hulpverleensters waren in enormen getale afgereisd – en begin ’91 stuurde Kosmos me op pad voor de herdruk. Bij die gelegenheid ging ik langs bij de Nederlandse ambassade in Boekarest. Een geweldige zet. Want daar vroeg Coen Stork, de legendarische ambassadeur, of ik geen leraar wilde worden op de plaatselijke universiteit. Het faculteitje Nederlands had daar namelijk standgehouden, inclusief moedertaalspreker, als enige westerse taal. Dat was te danken aan de inspanningen van Jan Willem Bos en aan Prins Bernards berenjaag­vriendschap met Ceausescu. Maar nu, na alle bloedbaden en rondmaaiende mijnwerkers, durfde niemand meer.

Edo was voor, heel erg voor. Voorvoelde hij dat Roemenië de plek zou zijn, waar hij zijn resterende eieren kwijt kon?

In Leiderdorp werd ik gescreend, door Jan Willem Bos en Gheorghe Nicolaescu, hoofd van de sub-faculteit en van ’92 tot het allerlaatste zeer goede vrienden met Edo. Ik was doctorandus in de letterkunde, wist geen bal van ‘Nederlands voor buitenlanders’ (‘NT2’ bestond nog niet), maar beloofde de commissie dat ik me zou laten bijscholen, door niemand minder dan drs. Velema.

In september ’91 reisde ik af, zonder iets te weten van de woordvolgorde in de bijzin. Ik sloeg me door de eerste donkere maanden heen in het armoedige kroeg- en troosteloze Boekarest, enkel wat troost vindend op de soireetjes van Coen Stork. De zes hoofdvakstudentes bleef ik steeds één lesje voor (waarbij studente Alina Savescu me gelukkig wilde influisteren hoe dat zat met die volgorde in de bijzin).

In de kerstvakantie holde ik naar Edo voor hulp. Wildenthousiast was hij. En in de voorjaarsvakantie van ’92 verscheen meneer Velema op de Facultatea de Limbi şi Literaturi Străine, een glorieus moment voor mij, dr. Nicolaescu en de neerlandistiek in Oost-Europa.

In de 20 jaar die volgden zou Edo de geliefdste Hollandse gastprofessor worden in Oost-Europa.

 

 

 

Deel 3 – De Jaren Negentig

 

 

Hoofdstuk 10 – Trăiască România deel 1; Eerste dagen (1991)

In september 1991 begon ik met mijn lessen op de Facultatii de Limbi şi Literaturi Străine.  Edo was kort in Tito’s Joegoslavië geweest, maar dieper in het Oostblok had hij zich nog niet gewaagd, laat staan in het afgeroste Roemenië. Daarvan toonde de tv al weken niets dan gigantische schaarste, dolgedraaide mijnwerkers en haveloze kindertehuizen vol aidsbaby’s. Mijn verslagjes echter, over gretige studenten en rechtschapen collega’s, prikkelden zijn nieuwsgierigheid, zoals mijn gepiep over mijn nt2-gestuntel zijn dadendrang prikkelden. Op de eerste dag van zijn eerstvolgende Felisenumvakantie sprong hij dus op het vliegtuig.

In het vroege voorjaar van ’92 haalde ik hem op van Aeroportul Otopeni. Met koffers vol lesmateriaal sleepte ik hem langs een haag snorders en zette Edo, met zeer rood hoofd, achterin een onverschrokken 30 jaar oude Dacia. Die was van Doru, een oude vriend van Jan Willem Bos (lees diens boek “Verdacht”  http://www.volkskrant.nl/wetenschap/jan-willem-bos-verdacht-mijn-securitatedossier~a322462/  voor de absurde achtergronden van die vriendschap).

jan willem bos
Jan Willem Bos in 2010

We reden naar het centrum, dapper laverend om de gaten in de weg en om het eigenzinnige paardenverkeer. We kwamen bij op het terras achter Hotelul Bucuresti, uitgestorven maar prachtig gelegen onder de linden, bovendien het enige waar ze koffie serveerden, of nee, het enige dat er in die dagen was (in een stad met 2 miljoen inwoners). Na tien minuten roepen en zwaaien kregen we een deftig kopje lauwe Nescafé, van de oudste, traagste maar tevens bestgeklede ober van de Balkan (een ontslagen operettekelner, leek ons). ‘Roemenië, land van tegenstellingen,’ grijnsde Edo voor de eerste keer. Dat cliché, tot dan koppig vermeden door de reisgidsschrijver, zou zich de komende jaren nog duizend keer opdringen.

 

Edo was echter verkocht: de dodenrit en de tien minuten terras waren genoeg. ‘Fantastisch!’ juichte hij, ‘fantastisch!’

Wat maakte hem zo enthousiast? Hetzelfde waarschijnlijk wat mij had verrukt: Alles schreeuwde hier om hulp en alles leek die hulp te verdienen. Bovendien beloofde alles, op en rond dit terras in ieder geval, dat het een feest zou worden die hulp te verlenen. Een beetje scheef beeld had ik hem echter wel gegeven – hij wist nog niet dat we in een klein Aerdenhout zaten, omringd door een enorme Bijlmer – maar mijn welkomstlocatie toonde wel mooi wat dit land te bieden had aan vervallen neo-barok, verslofte chic en andere laat-19e-eeuwse idylle. En hoera, daar stak de eerste fleurig geklede zigeunerin een bedelhand door het terrashek.

Edo associeer ik nog steeds met Forum, of hoogstens met licht-romantische zakelijkheid. Maar Roemenië was in die jaren alleen draaglijk voor romantici. Zonder oog voor vermolmde grandeur en gefnuikte luister, zou het hier niet te harden zijn. Dat oog had Edo als geen ander. De stroom vileine grappen over ‘het geplaagde Roemeense volk’ vloeide constant, maar was enkel bedoeld voor de goede verstaander en om niet weg te zakken in dof, dadeloos medelijden. Niemand heeft meer gelachen om de Roemeense narigheid, en niemand heeft meer z´n best gedaan om die narigheid (voor studenten en vrienden) draaglijk te maken.

Na de koffie wandelden we naar een restaurant in een 5-sterrenhotel waar we een ‘Gordon Blue’ aten (menu’s lazen in die tijd als moppenboekjes) en vervolgens namen we een taxi naar mijn ambtswoning, 10-hoog-achter op de Bulevardul Tineretului. Daar mocht Edo een week in mijn sleetse sovjet-lits-jumeaux slapen.

[In ’94 schreef ik een stukje over mijn leefomstandigheden, voor het Roemenië Bulletin van Jan Willem Bos. Het is wat overdreven en veel te cynisch, maar het geeft een beeld. Zie: https://keeslinthorst.wordpress.com/2014/12/16/iets-anders-roemeens-sinterklaasverhaal/

 

De volgende ochtend namen we de metro naar de faculteit op de Strada Pitar Moș, een surrealistisch gebouw: doodstil, brandschoon en tegelijk volledig uitgewoond en uitgekleed. Bij de ingang was een glazen hokje met daarin twee breiende stokoude vrouwtjes. Bij onze binnenkomst sprongen die op als kikkertjes. Ze zouden Edo de weken daarna knikkend en buigend achtervolgen, rebbelend in het Roemeens, met in elke zin een ‘domnul Profesor’. In de donkere ontvangsthal stond een standbeeld van Eminescu (1850-1889), de man die volgens de Roemenen alles na Erasmus en Shakespeare in de schaduw stelde, volgens Edo echter de Hélène Swarth van de Balkan (‘waarmee ik niks kwaads over Hélène Swart wil zeggen). Op de sokkel stond een vaasje met een eeuwig verse bloem en een eeuwig brandend waxinelichtje.

We bestegen de gebarsten marmeren trappen die zich rond een antieke honderd jaar oude lift wentelden. Op de eerste verdieping kwamen we in een aardedonkere gang. Op de tast kwamen we bij het Institutul de Olandeză en klopten aan…

[over vervlogen grandeur en vergane glorie in Roemenië schreef Nausicaa Marbe – een kennis van Edo – een roman: Mândraga (Nausicaa Marbe – Mândraga. Amsterdam, Meulenhoff, mei 1999)]

 

 

Hoofdstuk 11 – Trăiască România deel 2 – Eerste dagen + Gheorghe Nicolaescu (1991-92)

Edo kwam net op tijd, net voordat ik door de mand viel.

Mijn eerste maanden in Roemenië waren wat eenzaam maar toch best prettig verlopen. De zes tweedejaars b-hoofdvaksters (14 uur les per week) waren blij verrast door mijn enthousiasme, stroopwafels, hurkpedagogiek (zie ‘Pseudo-identificatie’, afl. 6) en de ambassadefeestjes waar ik ze mee naartoe sleepte. Het vermoeden dat ik geen bal van grammatica wist, begon echter te groeien, met name toen ik mijn enthousiasme niet kon onderdrukken over die werkwoorden die, verrek!, bij bepaalde conjuncties steeds naar het einde van de zin schoten. Zat daar systeem in? Ook Gheorghe Nicolaescu, het hoofd van de faculteit, begon een tikje wantrouwig te worden. Maar hoera, daar was Edo, mijn ultieme troef. In triomf duwde ik hem voor me uit, het Institutul de Olandeza binnen. En inderdaad, de genegenheid tussen Edo en Gheorghe was er onmiddellijk en zou nooit meer bekoelen. En mijn baan was voorlopig gered.

Nicol 2004
Gheorghe Nicolaescu in 2004

 

Edo’s eerste bezoek duurde maar tien dagen. Ik had hem slechts matig kunnen voorbereiden op het niveau van de studenten (een rijkgeschakeerd groepje dat in het eerste jaar plots verlaten was door mijn verbitterde voorganger). Maar hij had koffersvol materiaal meegesleept, voor elk wat wils. Veel lessen gaf hij niet en ik weet ook niet meer waarover. Het effect was echter enorm. Ten eerste waren de studenten betoverd door zoveel warme, door-en-door leerzame aandacht (en die bewondering straalde toch ook beetje op mij af) en ten tweede kreeg meneer Nicolaescu weer hoop dat zijn benarde streven om een faculteit op te zetten in deze negorij op steun uit Nederland kon rekenen: onmiddellijk had hij begrepen dat er hulp was verschenen met meer postuur en daadkracht dan ik. [Onderaan een paragraafje over Gheorghe Nicolaescu, zonder wie Edo’s leven heel anders was gelopen, en vice versa.] Ten derde had de bijval van de studenten Edo’s neus in een nieuwe richting gedraaid, te weten die van de extra-murale neerlandistiek, de plek waar ook geblokkeerde doctorandussen, c.q. genieën met een schrijffobie les mochten geven aan leuke, heel slimme mensen. Maar de belangrijkste weerslag was dat hij zo snel mogelijk terug wilde komen. Maar dan echt, en niet voor een weekje. In september 1992 was het zo ver en daarmee de kurk van de fles.

Het waren niet alleen de lessen aan de schattige meisjes geweest die hem hadden verrukt, het was ook de ‘Roemeense werkelijkheid’. Terwijl ik lesgaf aan de bijvakkers (los zand, maar in flinken getale) of als ik even elders moest wezen, ging Edo alleen op pad. Ik kon hem met een gerust hart laten gaan, want het gros van de Boekaresters liep in ’92 nog in het gareel (ook het geboefte was zich nog aan het beraden op de nieuwe vrijheid). Favoriet was de ambassadebuurt, vergelijkbaar met die in Den Haag maar dan mysterieus, haast spookachtig overwoekerd door mos en klimop. Voor elke ambassade stond een eenzame soldaat met geweer die zich suf verveelde (‘dreigingsniveau 0’ in die dagen). Elke weterse passant werd dus om een sigaret (o țigară) gevraagd. Edo rookte sigaartjes in die tijd, cigarillo’s uit een mooi doosje. Toen hem dus om een sigaret werd gevraagd haalde hij zo’n doosje tevoorschijn en bood een heuse țigară de foi aan, een mythisch object in het berooide Roemenië. Volgens Edo gooide de soldaat daarop zijn geweer een meter in de lucht en riep  ‘trăiască!’ (zoiets als ‘hoera’). Dat woord zou Edo die week nog honderd keer uitroepen. En 23 jaar later riep hij het me toe, bij ons laatste weerzien.

Nog minstens tien keer zou hij terugkomen naar Boekarest, om heel veel te wandelen, speurend naar ‘zonderlinge zaken’, met in de hand een plastic zakje voor z’n buit. De eerstvolgende keer zou datzelfde jaar in september zijn.

Gheorghe en Edo

Het Institutul Olandeza was in 1992 gevestigd in twee doorgebroken kamertjes van elk drie bij vier meter. In het ene was ruimte voor 10 studenten en een schoolbord, in het andere voor een bureau en een boekenkast met twaalf Vlaamse romans en vier prismawoordenboekjes. Dit schamele bureel was even daarvoor, na een felle strijd, door Gheorghe Nicolaescu op de faculteit germanistiek veroverd. Nederlands werd al acht jaar als b-hoofdvak gedoceerd, maar uitsluitend door uitzenddocenten. Die kregen 600 gulden per maand ‘suppletie’ van de Taalunie, genoeg om te overleven en één keer per jaar naar Nederland te vliegen. In 1990 was de laatste Nederlander vertrokken, plots misnoegd met dat geld, de eerstejaars ontredderd achterlatend. De enige lokale kracht die hem kon vervangen was een leraar Duits op een plaatselijke middelbare school, een briljante man die in de jaren ’70 in Leipzig Nederlands had geleerd. Omdat hij geen lid van de communistische partij was, had hij echter nooit kans op een academische baan gemaakt. Maar na de revolutie werd hij juichend binnengehaald.

Onder Ceausescu had hij al een paar ‘ongevaarlijke’ boeken vertaald, o.a. van Boon en Daisne. Na de revolutie vertaalde hij Nooteboom, waarna het Letterenfonds hem in de gaten kreeg. Vervolgens vertaalde hij ruim 20 Nederlandse romans, voor een flink deel in het Vertalershuis in Amsterdam. In 2008 kreeg hij de NLPVF Vertalersprijs, een belangrijkste prijs voor wegbereiders van de Nederlandse literatuur. In 2012 kreeg hij het voor elkaar, na 20 jaar zwoegen, dat Nederlands een echt hoofdvak werd.

Het klikte tussen Edo en Gheorghe, en niet zo’n klein beetje ook. Ze deelden hun liefde voor een groot aantal schrijvers en daarnaast besefte Edo, veel beter dan ik, hoe zwaar het leven voor Roemeense academici was. Mijn eeuwige vrolijkheid en rücksichtloze optimisme moeten onuitstaanbaar zijn geweest. Edo werd de ideale buffer tussen Gheorghe en mij: we leerden elkaar dankzij hem beter kennen en meer waarderen.

Ook na Edo’s dood stond Gheorghe altijd klaar voor de nabestaanden.

Tijdens dit eerste bezoek werd een prachtig plan geboren: Gheorghe zou die herfst, voor het eerst, zes weken naar het Vertalershuis gaan en Edo zou zes weken naar Roemenië komen, om Gheorghe te vervangen en mij te redden. Voor ons alledrie zou dit geweldig uitpakken.

 

Hoofdstuk 12 – Trăiască România deel 3 Edo’s lessen in Roemenië (1992)

 

Edo keerde begin september 1992 terug in Boekarest en liet me daar vijf weken later weer achter, geheel gesloopt maar eeuwig dankbaar.

Het Institutul de Olandeză was even daarvoor omgedoopt – indachtig het Vlaamse belang – tot Catedra de Limba Neerlandeză. Er was een nieuwe boekenkast getimmerd en, na wat bedelen, een echte lesmethode bemachtigd, in tienvoud maar liefst, want zoveel nieuwe b-hoofdvakkers hadden zich aangemeld. In totaal moest er 24 uur les worden gegeven, aan zes 1ste-jaars, tien 3de-jaars en twintig bijvakkers. Geen van hen allen was ooit over de grens geweest of iets anders gewend dan dorre hoorcolleges en stalinistische taaldrills. We stonden te popelen.

De uren zouden we eerlijk verdelen, wat niet lukte, want we gunden elkaar niks. Het gevolg was dat we elkaars lessen afluisterden vanachter het tussenmuurtje, om de haverklap tevoorschijn springend met aanvullingen die geen seconde konden wachten.

Onze licht-hysterische boventalligheid wekte ongetwijfeld verwondering bij het handjevol studenten. Onze Snip & Snap-achtige verschijning echter – Edo een buikend heertje in pak, ik een langharige slungel in hipstervodden – moet verontrustend zijn geweest. Maar onze lessen waren fantastisch, hoewel ook zeer eigenaardig, want geschoeid op een alles behalve Roemeense leest.

Wat grammatica betreft hield Edo het klassiek. Tot dan toe hadden de studenten gewerkt met ‘Levend Nederlands’, een drillmethode uit de jaren zeventig. Urenlang hadden ze in het ‘laborator’ dialoogjes nagebauwd, ingesproken door een begaafde Koningin Juliana-imitatrice. Grammatica was taboe, wat ook het geval was met het nieuwverworven ‘Code Nederlands’. Edo’s ideeën liepen wat dit betreft echter net zo ver achter als voor, met gevolg dat wij vijf weken lang de avonden vulden met het schrijven (met de hand) van een grammaticakatern. Edo verschafte de theorie (terwijl ik ademloos luisterde) en samen verzonnen we voorbeeldzinnen, ‘aansluitend op de belevingswereld van de Roemeen’. Op de vleugels van de Riesling en de Murfatlar – afhankelijk van het kioskaanbod – ontstonden conjunctieklassiekers als ‘Hoewel ik bijzonder veel van marsmuziek houd, luister ik in de taxi toch liever naar volksmuziek’ en ‘Als ik iets wil kopiëren, ga ik naar de schoenmaker.’ Onze methode was losbladig en ieder addendum werd ‘s ochtends gekopieerd, inderdaad door de schoenmaker op de hoek, de enige in Boekarest met een niet-kapot kopieerapparaat.

Naast solide grammaticalessen zorgde Edo voor teugelloos totaalonderwijs. Het allerleukst waren zijn mini-toneelstukjes. Edo gaf een titel op waarna ze in groepjes het stuk moesten schrijven, woekerend met de paar honderd woorden die ze kenden, om het vervolgens op te voor de klas voeren. Het leverde onder andere de eenakter ‘Imediat’ op (Roemeens voor ‘Momentje’) waarin een Hollands gezin de aandacht van twee niksende obers probeerde te krijgen. Ionesco/Ionescu was er niets bij.

Ook veel succes had hij met zijn interactieve schrijfopdrachten, met als hoogtepunt zijn ‘contactadvertenties’. De Roemeense humor bleek goed aan te sluiten op de onze: alle enge gebreken, vieze kwalen en vormen van zwakzinnigheid passeerden de revue. Ook geslaagd was het schrijven van horoscopen voor elkaar. Daarin werd menigeen een psychopathische partner beloofd, soms zelfs het armageddon.

Van Edo’s impulsieve manier van lesgeven heb ik veel geleerd en een paar van zijn lesideetjes gebruik ik tot de dag van vandaag. Het allerleerzaamst was echter zijn systematische benadering van spreek- en schrijfopdrachten. Dat deed hij middels ‘protocollen’. We zetten de derdejaars op de band en de fouten schaarde hij vervolgens onder de kopjes fonetiek, morfologie, syntaxis, semantiek, idioom en pragmatiek (+ spelling bij de schrijfopdrachten). Eigenlijk was dit een volstrekt logische benadering van hinkende taaluitingen, maar zelf was ik nooit op het idee gekomen.

 

Hoofdstuk 13 – Trăiască România (1992-1999) deel 4 (De Taal + Naschoolse activiteiten)

De Roemeense taal (een hutspot met Romaanse aardappels) zat vol ‘machtig mooie woorden’, een taal ‘om te smullen’ voor Edo. Hij was dol op de achtergevoegde lidwoorden (teatrului = van het theater) en het zo wonderlijk verbasterde Latijn (‘kwadraat’ was ‘patrat’ geworden). Het allermooist vond hij echter de consonanten, met name de rollende R, de Ş (sj) en de Ţ (ts), helemaal als die sissend aan het eind van een woord kwamen. Nieuwe aanwinsten sprak hij het liefst uit met stemverheffing, een opgeheven wijsvinger en een dreigend koudeoorlogsaccent, ook als het om wasknijpers (carrrlige de rrrufe) of maagsoep (ciorrrba de burrrta) ging.

Mijn platte lol om alle woorden die op een ‘l’ eindigde (en dan als bepaald substantief een -ul toegevoegd kregen) deelde Edo niet. Behalve toen het bericht in de Roemeense kranten verscheen dat ambassadeur Coen Stork overvallen was door de slappe lach toen er, tijdens een toespraak, een ‘apèl’ – let op de slotconsonant – van president Iliescu op zijn spreekgestoelte werd gelegd.

Edo’s lesmateriaal bestond uit restaurantmenu’s en winkelopschriften. Basis was echter een tekst van Lenin, ter bemoediging boven ieder schoolbord in het land geschilderd, ook in ons piepkleine lokaaltje: Dacă nu ştii, te învăţăm / Dacă nu poţi, te ajutăm / Iar dacă nu vrei, te obligăm. [Vrij vertaald: Als je het niet weet, dan leren we het je / Als je het niet kunt, dan helpen we je / En als je niet wilt, dan dwingen we je.] Verf om het weg te schilderen was er niet (want alles was op), plus dat niemand het nog opviel. Die week in april had Edo de tekst uit z’n hoofd geleerd – het waren z’n eerste Roemeense zinnen – en toen ik in februari 2015, 23 jaar later, bedenkingen had bij zijn cafékeuze, galmde het over het Leidseplein ‘Dacă nu vrei, te obligăm!’

Belangrijke leermomenten waren onze restaurantbezoeken. De menulijsten (waarvan de helft helaas even niet leverbaar) werden uitgespeld. Dientengevolge kende Edo na een week alle eetbare vis- en vogelsoorten bij naam plus de term voor hun mogelijke bereidingswijzen. Minder eetbaar, maar ook prominent in zijn vocabulaire, was de ´cocor´ (de kraanvogel), want de naam van het enorme warenhuis (verkocht enkel nog augurken en Vietnamese kroepoek) waar we dagelijks langswandelden. Toen het thema eten & drinken aan bod kwam, vertelde Edo trots wat zijn lievelingsgerecht was: ‘cartofi prăjiți, oftewel gebakken aardappels’. Bewonderend knikte de klas hem toe. ‘Met daarbij,’ vervolgde hij, ‘een cocor prăjit’. Even aarzelde de klas: was dit een grap, mochten ze wel lachen om deze deftige professor? ‘Inderdaad,’ zei Edo daarop met gezwollen stem, ‘een gebakken kraanvogel’. Het kwartje viel: dit was een topdocent waar je ook nog eens om kon lachen. En allen beseften dat hun keuze voor dat rare Neerlandeză een voltreffer was geweest.

Na de les ging Edo graag winkelen. De crypto-communistische machthebbers hadden besloten het land niet te verkopen (maar liever onder vrienden te verdelen), waardoor het winkelaanbod almaar teleurstellender werd. Zo niet voor Edo, die met pervers genoegen de warenhuizen afstroopte, op zoek naar socialistisch erfgoed. Hij was vooral een grage bezoeker van de plaatselijke ‘Blokker’, hier genaamd ‘Pentru uz casnic‘ (‘Voor huishoudelijk gebruik’), waar hij een keur aan kostelijk-gekleurde huishoudelijke artikelen aantrof. Met zakken vol te kleine vergieten en te grote wc-borstels kwam hij thuis. ‘Voor je uitzet’ riep hij erbij. Toen hij vertrok hingen er negenenveertig carlige de rufe aan mijn waslijn, in 7 soorten en 7 kleuren. [Edo’s hang naar plastic prullen – zag hij er pop-art in, of was het compensatie? – mondde in later jaren uit in zijn fameuze collecties badeendjes en Nijntje-gadgets.]

Voor eigen doeleinden waren de Roemeense sigaretten die hij insloeg: keuze te over in dit tabaksproducerende land, zij het dat alles wat maar een beetje rookbaar was onmiddellijk werd geëxporteerd. De doosjes waarin de resterende troep werd verkocht, waren echter nog best aardig om te zien. Dolle pret had hij er later mee als hij een Felisenumcollega kon verleiden een ‘Carpați’ op te steken.

Veel ander amusement had Boekarest niet te bieden. Niet geheel tot mijn verrassing bleek Edo geen liefhebber van iconen en neo-romantische kinderportretten, waarmee ook het museumbezoek afviel. En voor de opera, met al tien jaar lang dezelfde zes klassiekers (en een 54-jarige Madame Butterfly)werd ook na twee keer bedankt, aangezien alles met talent (de door Edo aanbeden Nelly Miricioiu bijvoorbeeld) al jaren eerder het hazenpad had gekozen. Wat overbleef was lekker tafelen.

Wat dat betreft waren er twee mogelijkheden: de staatsrestaurants en de chinezen, beide enkel bezocht door buitenlanders en boeven, want geen enkele nette Roemeen had nog geld voor zoiets. De staatsrestaurants worstelden vooral met de te bieden service (gunst of ellendige plicht?), maar evenzeer met de ambiance, onbekend als de obers waren met westerse verwachtingspatronen en fooiensystemen (en te goed bekend met hun miserabele salarissen). Illustratief was de eerste ontmoeting tussen Edo en Gheorghe Nicolaescu, een toch wel plechtig moment waar we een keurige entourage voor hadden uitgezocht, dachten we. Voordat het personeel van het restaurantul in de Pasajul Victoriei – een chique tent met veel rococo-opsmuk – echter bereid was om ‘The wind of change’ – die met orkaankracht uit alle boxen blies – wat zachter te zetten, waren we al halverwege onze ‘gordon blue’. Die ook zo smaakte. De prijzen waren echter dusdanig laag (voor ons kolonialen) dat de extreem gulle Edo er doodzenuwachtig van werd.

Twee weken later besloot Edo dus om álle studenten mee uit eten te nemen. Maar dan wel gezellig. Gelukkig hadden zich na de revolutie, terwijl de barricades nog rookten, al tien Chinese restaurants in Boekarest gevestigd.

P.S. Na het restaurantbezoek bespraken we meestal nog even het leven op het balkon van mijn ambtswoning, nippend aan de murfatlar, uitziend over een woud van asgrijze zelfmoordflats. Gewoonlijk wankelde ik daarna naar bed om als een blok in slaap te vallen. Edo ook, nam ik aan. Maar de volgende ochtend, als hij me gedoucht en geschoren wakker kwam zingen, overhandigde hij me De Ontdekking van de Hemel: ‘En nu jij.’

[Volgens mijn psycholinguïstiekboek kan een mens maximaal 400 woorden per minuut verwerken. Edo beschikte dus over superkrachten, zoals een echte held betaamt.]

 

Hoofdstuk 14 – Trăiască România (1992-1999), deel 5 (Bij de Chinees + De Nieuwe Amanuensis)

De eerste keer Edo was even slikken, voor vrijwel iedereen. Met zijn druktemakerij en niet altijd goed getimede sarcasme joeg hij een hoop mensen op stang, een enkeling zelfs voorgoed: de lat van de ironie legde hij soms een stukje te hoog. Piet de Kleijn, jarenlang collega van Edo op de zomercursus in Zeist, beschreef me in een e-mail zijn omslag in waardering, vergelijkbaar met de kentering die ik in ’92 bij de studenten zag gebeuren: ‘Bij mijn eerste contacten met hem, op de zomercursus, had ik aanvankelijk een beetje moeite met zijn nadrukkelijke aanwezigheid. Maar al gauw besefte ik dat hij zo veel te bieden had, aan kennis, aan verbale virtuositeit, aan humor dat ik al snel dacht: die kans moet ik niet voorbij laten gaan.’  Ook de studenten waren zich bij kennismaking natuurlijk wild geschrokken van deze branieschopper. Maar toen we vier weken later met z’n allen naar de chinees wandelden, Edo zingend voorop en de studentes in ganzenpas erachteraan, waren hun reserves, gêne en glazig gestaar allang overgegaan in vervoering en onbekommerde pret.

De chinees huisde in een haastig verbouwd hok met drie lampionnetjes. Op de menukaart stonden mysterieuze gerechten, vertaald in zorgeloos Engels. Vooral de ‘fish with hands’ wekte Edo’s nieuwsgierigheid. Wat ‘chickens from lake’ waren wisten we al, dat waren wat de Roemenen ‘vijverkippen’ noemden en wij, tot hún hilariteit kikkerbilletjes. De meeste studenten hadden nog nooit in een restaurant gegeten en waren op hakken en in baljurk verschenen. Het eten vonden ze afgrijselijk, vooral de combinatie zoet-hartig (kip-ananas) werd kokhalzend terzijde geschoven. Maar ze kletsten duizend uit, in het Nederlands. [Op ouderlijke zolders wordt nog naar de foto’s gezocht, ik roep het als ze boven water zijn.]

Verbazing en bewondering streden bij Edo om voorrang: hoe kon je in zulke armoede zo belezen zijn en zo ijverig blijven? Die toewijding kwam in het Oostblok meer voor, bij gebrek aan ander amusement, maar het gaf toch steeds een ongemakkelijk gevoel een sjofele taxichauffeur te treffen die in prachtig Frans uitlegde hoe hij had genoten van Huizinga’s ‘Amurgul evului mediu’. En als een studente, na vier weken Nederlands studeren, de hele tekst van (Lennaert Nijghs) ‘Meester Prikkebeen’ uit het hoofd opzei, dacht je bedremmeld aan de 30 gulden per maand waarvan ze moest leven en aan het studentenkot van krap 20 vierkante meter waar ze met drie collega’s in was gepropt. Edo’s gulheid vond in Boekarest haar ultieme doelwit.

Onze boventalligheid kreeg de laatste week van Edo’s bezoek versterking in de persoon van Joost Hazenbos, een bevriende spijkerschriftgeleerde met wie ik vermoedde dat Edo het wel kon vinden. Dat klopte – tot 2014 hadden we jaarlijks een vrolijke reünie in De Zwart – maar Joost had helaas niet de juiste lesbevoegdheid. Edo verhief hem dus tot amanuensis, heus geen troostbaantje aangezien het een dagtaak was om fatsoenlijke ‘creta alba’ (bordkrijt) te bemachtigen.

Nu waren met z’n drieën en alle drie even goedgemutst, Het geplaagde Roemeense volk was kansloos: elke vijf minuten spotte één van ons een ‘afwijkend gebruik’ dat net niet tragisch genoeg was voor meelij, maar wel net krankzinnig genoeg voor gegniffel, gebulder of de slappe lach.

Joost herinnert zich nog heel veel, onder andere een bezoek aan een kamermuziekconcert in Boekarest. “Edo vond het fantastisch, vooral omdat er kort na het begin van het concert een dame met een paar plastic tassen binnenkwam die in een van de eerste rijen ging zitten en dingen uit die tassen begon te halen en er weer in te stoppen, proviand of zoiets. Nu kan Wagner, door een vol bezet orkest gespeeld, wel een plastic zakje verdragen, maar kamermuziek… Edo amuseerde zich kostelijk.”

Eten deden we bij de chinees die in 1992 zo goed als allemaal ‘De Grote Muur’ heetten. Eén Grote Muur was favoriet want daar schonken ze ‘cognac’, of in ieder geval een goedje dat Napoléon heette, toevallig net zoals het Franse merk (maar dan onder accentje op de e). Met ieder glas leek dat te groeien in smaak. Dat wilden we Joost graag bewijzen. Bij binnenkomst ontving de eigenaar – zich inmiddels scherp bewust van de sterke kanten van zijn spijskaart en de zwakke kanten van zijn klanten – met de hartelijke woorden ‘Napoléon? Napoléon? Napoléon?’ Ook die grap hielden we er nog minstens 20 jaar in.

Om onze reputatieschade bij Joost te beperken en als afsluiting van Edo’s bezoek zouden we met z’n drieën een lang weekend het land in trekken. Joost en ik waren het er na 23 jaar nog steeds over eens: nooit hebben we in drie dagen zo veel gelachen.

 

Hoofdstuk 15 – Trăiască Romania, deel 6   (Avontuur in Transsylvanië)

In september 1992 was Edo 43, sliep vijf uur per nacht, dronk flink, at enorm, rookte als hij niet at, las elke dag een roman en huppelde tussendoor met een onnavolgbare kwiekheid door de wereld. Joost en ik, allebei ruim tien jaar jonger, deden een poging hem drie dagen bij te benen.

De reisjournalist mocht de pleisterplaatsen bepalen en koos voor Brașov en Sighișoara, beide zeer schilderachtig en met wat goede wil bereikbaar met het openbaar vervoer. We vertrokken vanaf Gara de Nord, toen een akelig oord voor een heer in pak, want vol dronkenlappen, bedelaars en zakkenrollers. Tot overmaat van ramp stond er een rij van 100 meter voor het loket, terwijl de trein over een kwartier zou vertrekken. Dan moest er maar ‘met de peetoom’ worden gereisd. Daarbij stapte je in de trein, holde naar de conducteur en hield een zielig verhaal. In 99% van de gevallen streek de beambte dan over zijn hart (en vervolgens de reissom op). Omdat ik de onkreukbaarheid van mijn gezelschap kende, lichtte ik ze niet in over mijn snode plannen. Groot was dan ook hun verbazing toen de conducteur, diep dankbaar en overweldigd door Edo’s stropdas, ons onmiddellijk meetrok naar de allermooiste eersteklascoupé, eigenlijk alleen bestemd voor het treinpersoneel. Daar zaten we dan, tegenover twee vrolijk-verbaasde conducteurs, allebei sprekend lijkend op Stan Laurel.

Het was 500 km naar Brașov en het eerste stuk ging door de monotone Walachijse laagvlakte. Ik wilde wat slaap inhalen maar Edo en Joost hadden wel zin in een potje blindschaken. ‘Blindschaken? Bedoelen jullie…?’ Maar Edo had al ´e4 naar c5,’ gezegd, en Joost ‘f3 naar c6’. Sprakeloos sloot ik m’n ogen. ‘D4 naar d6,’ zei Edo dreigend, ‘c6 naar e5’ lachte Joost schamper. Nu viel er een lange stilte terwijl de schakers ernstig langs elkaar heen staarden, af en toe het hoofd schudden en dan diep zuchtten. Door m’n oogharen zag ik dat de conducteurs toekeken en dat hun wenkbrauwen steeds verder omhoogkwamen. Waren dit codes van slinkse spionnen, rites van boze magiërs? ‘. ‘E5 naar c6,’ fluisterde Edo, ‘d6 naar f3’ grinnikte Joost. Kaartjescontroleren deden ze niet meer, met trillende onderlip volgden ze de grimmige stiltes en het spookachtige gemompel. De schakers kregen de commotie pas in de gaten toen er een derde conducteur bij kwam zitten, die hen ook begon aan te staren. Ik had mijn lachen kunnen verbijten, want was eigenlijk niet minder verbouwereerd. In twee uur een roman lezen vond ik al iets griezeligs; een halfuur blindschaken in een hotsebotsende treincoupé zat voor mij in dezelfde tovenaarscategorie. Ik werd steeds trotser op mijn nederig veermanschap.

Brașov was een prachtig stadje, ingeklemd tussen woeste Karpaten en met overal Saksische torentjes. Eerder had ik daar kennisgemaakt met de familie Borda die er een pension dreef. Meneer Borda was tractoringenieur in ruste en mevrouw Borda huisvrouw, maar nog lang niet in ruste. Het pension had tien gasten per jaar en ‘quality time’ was er dus voor iedereen te over.

Mevrouw Borda stortte zich op Edo. De drie woorden Duits die ze sprak gaven voldoende ruimte om Edo aan de keukentafel kennis te laten maken met de Roemeense volkspoëzie (rijmpjes die hij nog jaren later op kon zeggen), met de Transsylvaanse keuken en vooral met de wonderen die hier verricht werden met gefermenteerde pruimenresten. Țuică heette dat goedje en mevrouw Borda was er niet zuinig mee. Haar gulheid kon wedijveren met die van Edo en ik betwijfel of ze veel verdiende met haar herberg, temeer daar wij alle drie heel slecht nee konden zeggen. Tot diep in de nacht bleven we aan de keukentafel zitten, zingend en schranzend en worstelend met de uitspraak van de ă en de â.

KeesEdoBrasov
okt. 1992, met de familie Borda in Brasov

Na een korte nacht kregen we ciorrrbă de burtă als ontbijt, wat natuurlijk het lekkerste smaakte met een glaasje țuică. Weigeren was onbeleefd dus even later zwalkten we door de Saksische hobbelstraatjes, op weg naar de Zwarte Kerk, de hoofdattractie van Brașov. Als drie aangeschoten corpsballen liepen we daar rond: mijn toeristisch commentaar liep meerdere malen stuk op gelal en gebral. Toen het ietsjes frisjes werd haastten we ons terug naar mevrouw Borda. De tafel was al gedekt en Edo werd een gedicht bijgebracht over een klein kevertje dat naar de zon wilde vliegen.

Sighișoara was het volgende reisdoel. Dat lag 150 kilometer noordelijk van Brasov en was de geboorteplaats van Dracula (Vlad de Spietser). Het stadje had tot voor kort een flink Duits- en een flink Hongaarstalig bevolkingsdeel, iets wat Ceausescu niet had gezind. De strijd was echter nog niet gestreden, wat bleek toen we uit het station stapten en onmiddellijk in een etnische rel terechtkwamen. Joost probeerde Edo net iets uit te leggen over de fricatieven in het Palaïsch, in het Nederlands welteverstaan, maar werd ruw onderbroken door een oude man, die dreigend zwaaide met twee plastic zakjes. ‘Kein Deutsch, kein Deutsch!’ schreeuwde hij ons toe. De driedubbelgelaagdheid van het misverstand vergrootte ons begrip van het conflict geenszins, wel ons begrip van de Roemeense werkelijkheid.

KeesLEdoSighisoara1b
Op de berg boven Sighisoara

 

Het stadje was verder prachtig maar toen ons even later een man passeerde met twee kunstbenen op de schouder, kwamen we onwillekeurig te spreken over de roem die de Roemenen hadden vergaard voor de uitvinding van het absurdisme (Tristan Tzara, Ionescu, Urmuz e.a.), en dat die faam weleens op een misverstand kon berusten. Was wat wij voor absurdisme aanzagen etc. Dit was weer aanleiding voor een kwartiertje slappe lach.

Sighișoara had middenin een mooie heuvel met oude kerk, een aantal imposante, nog-net-niet-ingestorte torens en Dracula’s vermeende geboortehuis. Na wat rondwandelen stortten we ons op ons aller hobby: boeken. Het gonsde al een tijdje in Roemenië dat de oude Radian, de voorganger van Nicolaescu en 89 inmiddels, zijn 47ste vertaling van een Nederlandse roman had afgeleverd. Tussen alle stoffige winkeltjes troffen we een prachtige boekhandel. Behalve het meesterwerk ‘Humor & Gramatica’ vonden we ´Iskander´, lui [spreek uit louis = van] Louis Couperus. Onze lol (‘lui Louis Couperus’) werd steeds debieler.KeesEdoSighisoara2

Drie dagen later vertrok Edo weer naar Nederland, samen met Joost, en ik moest drie dagen onder de wol.

Hoofdstuk 16   Zomercursussen in eigen beheer (’93-’94)

Edo had die zes weken Roemenië héél erg leuk gevonden. Er moest dus een vervolg komen, per se, maar dan wel in Nederland, geen van de derdejaarsstudenten was daar immers ooit geweest. Dat vervolg zou de eerste zijn van Edo’s veertien zomercursussen ‘Nederlandse taal en cultuur’ voor buitenlandse neerlandici, culminerend in de twaalf zomercursussen in Zeist. Veertien keer offerde Edo drie weken van zijn vakantie op, voor niks of voor een schijntje. Het hadden er meer kunnen zijn, maar helaas, de Nederlandse Taalunie stelde vanaf 2010 geen prijs meer op zelfdenkende docenten.

Edo’s plan voor de zomer van ’93 was gedurfd: Alle zes zouden we ze naar Nederland halen. Daarvoor moest er eerst geld komen, van Hollandse vrienden en familie. Roemenië was in die dagen het zieligste land van de wereld, dus dat was gauw voor elkaar, ook omdat Edo op edoëske wijze in eigen buidel tastte. Vervolgens moest er onderdak worden geregeld, ook geen punt, want iedereen wilde wel zo’n braaf meisje huisvesten. Nog eenvoudiger was een mooi draaiboek: Edo dicteerde me dat op een kerstvakantieavond. Een waar nvt-walhalla stond de dames te wachten: van hot naar her zouden we ze slepen, museum in museum uit, half Nederland moesten ze zien, van Gouda tot Groningen.

Het werd geweldig. Maar misschien ietsje té geweldig. Veertig jaar isolement en gebrek hadden meer sporen nagelaten dan gedacht en eigenlijk hadden we wel kunnen bedenken dat niet iedere kleinsteedse Roemeense de Rosse buurt op waarde zou schatten.

We bezorgden ze dus een flinke cultuurschok, niet alleen de studenten maar ook de Hollandse gastgevers, die vaak geen stom woord uit hun logees konden krijgen, verbijsterd als die waren door alle luxe en aandacht. In de zomer van ’94 organiseerden we iets soortgelijks, maar dan korter en minder heftig (ook omdat ik inmiddels meer handigheid had met reguliere beurzen en cursussen).

Mijn herinneringen aan die twee zomers zijn wat nevelig: welke attracties we bezochten weet ik niet meer precies, het waren er een hele hoop. Hieronder een greep uit de anekdotes die Edo en ik zijn blijven oprakelen, herinneringen aan herinneringen dus. Soms zijn ze uit ’93, soms uit ’94, vaak was er interculturele tweespalt in het spel, meestal was Edo er (blozend) getuige van, maar van al deze ‘stof voor jaren napraat’ was Edo de woest-enthousiaste initiator.

In het volgende enkel initialen, want het was niet allemaal even flatteus, en speelt slechts 22 jaar geleden.

  • De stoep voor het Maagdenhuis leek Edo een ideale plek voor fietsles, iets waarin hij toen nog niet zo bedreven was (later op de cursussen in Zeist wel, toen leerde hij zowel het gehele Verre Oosten als het halve Oostblok fietsen). M.D. mocht als eerste; geen best idee want zij was niet gewend iets niet onmiddellijk te kunnen. Ze legde dus meteen haar volle gewicht in de trappers, Edo aldus dwingend tot een meeloopsprint waarbij hem zijn sedentaire levensstijl al gauw parten begon te spelen. M.D. zagen we dus met fiets en al verdwijnen in muziekwinkel Hampe & Berkel. Bij navraag bleek de toonbank een ramp te hebben voorkomen.
  • Het Groene Hart werd doorkruist en voor een consumptie deden we een dorpscafé aan. Toen het personeel hoorde dat de meisjes uit Roemenië kwamen, snelde iemand naar achteren en kwam terug met een mandje sinaasappels. ‘Neem maar,’ zei de baas bezorgd, ‘ze zitten vol vitamines’. De gênante geste vond even gênante weerklank: de dames namen namelijk niet één sinaasappel uit het mandje (zoals de Hollandse koektrommeletiquette voorschrijft), maar elk twee of drie, die ze vervolgens ook nog eens, met een bête glimlach, in hun tassen stopten. Edo kon enorm blozen.
  • De Oude Kerk werd bezocht en Vondels bidstoel bewonderd. Buitengekomen bleken de huisjes rondom bevolkt door prostituees. De zeer devote M.D. was nauwelijks tot bedaren te brengen: ze wist niet gelijk hoe, maar vertelde met luide stem onverwijld werk te zullen maken van deze schennis.
  • Maarten Langereis nam de dames in zijn zwarte bolide mee naar de Heksenwaag in Oudewater. Daar werd je gewogen en kreeg je een geinig certificaat dat verklaarde dat je geen heks was. Behalve de kleine L.S… Na de weging viel er een diepe stilte en de sadistische heksenkeurder zei met donkere stem ‘Helaas, u bent te licht bevonden’. L. barstte in tranen uit. Gelukkig bleek er ontheffing mogelijk voor meisjes uit Walachijse dorpjes. Maar L.’s liefde voor land & volk was voorgoed bekoeld.
  • Op een terras in Amsterdam spotten een meisje twee homo’s die, iets verderop, met elkaar zaten te zoenen (dat mocht nog in ’93). Het was echter alleen vanuit haar hoekje te zien. Alle vier gingen ze nu een paar minuten op haar plaats zitten om dit bizarre tafereel te aanschouwen: voor ons een even bizar tafereel.
  • L.S. en I.R. logeerden een week bij Maarten, nadat ze de zomercursus in (toen nog) Breukelen hadden gevolgd. Dat conferentieoord richtte zijn ontbijtaanbod echter op nette Nederlanders die namen uit een voorraad die oneindig werd geacht. Maartens ijskast had zich echter onmiddellijk gevuld met een enorme lading kuipjes Nutella, doosjes hagelslag en tientallen bananen en mandarijntjes. Maarten was al een paar keer in Roemenië geweest en zag ervan af deze keurige meisjes uit te leggen dat één en ander (“maar morgen is alles weer op!’) niet strookte met de lokale usance.
  • Bij aankomst op Schiphol werden de uitverkorenen (alle zes om door een ringetje te halen) onmiddellijk in de boeien geslagen. Telefonisch was de douane, twintig meter verderop, vervolgens vier uur lang niet bereikbaar. We hadden geen idee waar de meisjes uithingen, niet eens of ze überhaupt op het vliegtuig waren gestapt. Na vier uur zenuwen, werden ze eindelijk vrijgegeven. Ze hadden verdacht weinig geld bij zich, vond de marechaussee. ‘En dan ook nog een beetje Nederlands spreken, terwijl je d’r nooit was geweest!’ Het is de enige keer dat ik Edo echt héél boos heb gezien. Wij waren overigens overstuurder dan de meisjes zelf: omgaan met justitiële willekeur bleek hun beter te liggen dan ons.
  • Jeannette was ook verrukt van Edo’s project, maar kon weinig bijdragen, want zat met kleine Jan. Dat was toen een aanbiddelijk vijfjarig ventje met grote blauwe ogen, een engelachtige bos haar en een dictie die bedoeld leek voor tweedetaalleerders. Alina en Mădălina gingen op bezoek, ondergingen de serene sfeer van Jeannettes huisje en waren er vervolgens niet meer weg te slaan. Twee jaar later ging Alina op de Nederlandse ambassade werken en nu, 20 jaar later, is ze daar min of meer de baas. Ik denk dat het die middagjes bij Jeannette waren die haar keuze voor ons Koninkrijk hebben bepaald.

Ik was een beginnend docent en beginnende docenten zijn altijd smoorverliefd op ál hun leerlingen en dus altijd bereid tot de idiootste inspanningen. Edo liep echter al twintig jaar mee. Zouden die studenten ooit hebben beseft hoe ze gezwijnd hebben dat Edo hun levenspad kruiste? Zelfs degenen die verder niks met Nederlands hebben gedaan, zouden diep dankbaar moeten zijn voor alle tochtjes, uitstapjes, etentjes en al het gratis topamusement dat hij ze heeft verschaft. Misschien dat die dankbaarheid nu komt, nu het te laat is. Dat ken ik uit eigen ervaring.

 

Hoofdstuk 17 – Middagjes op het Felisenum en avondjes op het Vertalershuis (1994-’95)

Roemenië was aangrijpend en meeslepend, daar waren Edo en ik het wel over eens, maar hoe de koude, eenzame winters je aangrepen, wist alleen ik. Na twee jaar wilde ik dus terug, ook omdat ik in Amsterdam nog een verloofde had (die niet mee te slepen was). Edo vond het jammer, maar hielp me zoeken naar een opvolger. Bij gelijke geschiktheid gaven we de voorkeur aan een avontuurlijk type. Die vond hij, na flink wat zoekwerk, en Edo deed het sollicitatiegesprek, onder auspiciën van Gheorghe Nicolaescu. Bonny Wassing zou het twee jaar volhouden in Roemenië, wat prettig was, want precies even lang zou ik het uithouden in Nederland.

Terug in Amsterdam kreeg ik onnozele baantjes en schreef nog een paar brave reisgidsjes. Edo zorgde voor wat troostinkomsten: zo mocht ik op de poëziedag van het Felisenum een paar lesjes verzorgen, over een dichter naar keuze.

Op het Felisenum was ik al eens geweest, een paar jaar eerder was dat, voor de gezelligheid. Als een kasteelheer had Edo me toen door de gangen geleid. Bij elk magnifiek project had hij me een verkneuterde blik toegeworpen en bij iedere giechelende begroeting van een elfachtige leerlinge – in zwermen kwamen die voorbij – had hij me een triomfantelijke knipoog gegeven. Dat hij van elk de naam en klas kende – op een school met 500 leerlingen – viel me toen nog niet op.

Edo’s dweepte met dat gymnasium, zwolg in de kalme voornaamheid en de zo smaakvolle festiviteiten, vond steeds weer een reden om te beginnen over dat onderwijsparadijs. Die adoratie begon allengs te jeuken – wij, op het oude Lorentz, waren toch veel leuker? – en de poëziedag leek me een mooi moment om die wijsneuzen daar eens een lesje te leren. Als dichter koos ik dus de jeugdonvriendelijkste zemelknoper die ik op dat moment kende, inderdaad Hans Faverey. Ik wilde een eerlijke overwinning (in de vorm van glazige blikken, dom gegiechel en ongymnasiaal gejengel) dus zou ik me goed voorbereiden, daar mocht het niet aan liggen. Tijdens de toebereidsels ebde mijn strijdlust echter weg, maakte plaats voor het gevoel dat ik een spreekbeurt moest geven, gewoon voor Edo zelf, zoals 17 jaar eerder. Voor ik het wist stond ik de best voorbereide les van mijn leven te geven. Resultaat: een prachtles en twee teleurstellingen: die school was dus echt fantastisch, en ik bleek – op mijn 34ste – nog steeds weinig meer dan een leerling van Edo, alleen wat streberiger dan de rest.

Mijn terugkeer had geen invloed op Edo’s band met Roemenië. Ten eerste kwam Gheorghe Nicolaescu elk jaar voor zes weken naar het Vertalershuis in Amsterdam, aanleiding voor vele avondjes Roemeense gezelligheid en scherpzinnig vermaak. Verder bereidde hij Gerard Elshout – een kennis, later een vriend – voor op een gastdocentschap in Boekarest en de ontberingen aldaar. Zonder succes, want Gerard vond het er vreselijk. Mensen zoals Edo, die lol zagen in zes uur elektriciteitsuitval en die in zes dankbare studentengezichtjes genoeg compensatie vonden voor drie dagen koud douchen, bleken zeldzaam.

Edo’s vriendschap met Nicolaescu en zijn bezoeken aan het Vertalershuis, hadden zijn leven opnieuw een mooie wending gegeven. Dat Vertalershuis zat achter het Concertgebouw en leek op een luxe studentenflat. De drie of vier uitverkoren vertalers hadden een eigen kamer en deelden een fijn bibliotheekje plus een mooie open keuken. De sfeer was er hemels. Edo had er kennisgemaakt met een paar vertalers die al gauw doorhadden dat ze in hem de ideale vraagbaak hadden getroffen. Vooral met Franco Paris, Grunbergvertaler en docent Nederlands in Napels, klikte het geweldig, ook natuurlijk door Edo’s italofilie (die in die jaren heftigere vormen begon aan te nemen). Een andere jarenlange vriendschap die daar opbloeide was met Anita Srebnik, Tellegenvertaalster en docente Nederlands in Ljubljana. In Slovenië zou Edo in 2010 en 2011 een week gastcolleges komen geven. De plannen voor een derde serie waren al gesmeed.

In september 1995 mocht ik terug naar Roemenië, terug naar mijn flat met het op zeven plekken lekkende plafond. Zielsgelukkig was ik en ook Edo kon niet wachten om de nieuwe studenten te zien.

 

Hoofdstuk 18 – Trăiască Romania, deel 6   (1995-1999)

Mijn tweede termijn in Roemenië, van 1995 tot 1999, was minder uitgelaten dan de eerste: de zorgeloze pret was er al gauw vanaf, die maakte plaats voor zorgen om een vrouw en, even later, twee kindertjes. Ook had Roemenië wat ingeboet aan schattigheid: de chaos was niet meer zo ongerept. De regering had er de schop ingezet en dat maakte de armoede schrijnender en de misdaad venijniger. Het winkelaanbod was weliswaar wat uitgebreider en je kon een stuk aangenamer uit eten, maar ja, dat gescharrel naar bordkrijt, de volksmuziek in de taxi en de menulijsten met twee gerechten zorgden toch ook wel een tikje voor de (stiekeme) sjeu.

Edo bezocht me in deze periode nog drie keer: begin ’96 om weer een weekje les te geven, in het voorjaar van ’97 als start van een rondreis met een vriendin, en eind ’97 als duo-gast met criticus Jeroen Vullings.

Het eerste bezoek was bijna als vanouds, inclusief een tochtje door de Karpaten en zelfs een tocht eroverheen. Heen ging het met de trein, met een tussenstop in Râmnicu Vâlcea, een stad die nog ontbrak in mijn reisgidsje. Waarom ook andere gidsen over deze plaats met 100.000 inwoners zwegen, werd ons duidelijk toen we na een kwartier wandelen een voorbijganger vroegen waar het centrum was. Droevig (‘in tranen’ volgens Edo) vertelde hij dat we daar net weer uitliepen. Niet getreurd want dat gaf ons meer ruimte om in het hotel-restaurant kennis te maken met nog onbekende Olteense druiven- en pruimenrassen. We waren de enige gasten en terwijl een vierkoppig orkest ons vergastte op de Vogeltjesdans en driemaal Tulpen uit Amsterdam, bespraken we de toekomst van het, zoals Edo steevast zei, ‘geplaagde Roemeense volk’. Tot diep in de nacht. Op de kamer waren de leeslampjes gelukkig kapot.

De volgende dag treinden we naar Sibiu, een spectaculaire tocht door schluchten en spelonken. Als Hermannstadt was Sibiu één van de Saksische ‘Zeven Burgen’ en nog steeds stond het er vol grimmige torens en snoeperige kerkjes. Ook bezochten we het Bruckenthalmuseum, nieuwsgierig naar het alom aangeprezen topstuk. In een piepklein onderschriftje werd echter toegegeven dat het niet van Frans Hals was, maar van een broer, of op z’n minst een neef. Maar ja, kunst hadden we thuis ook en gewoon wat rondlopen was ook in Sibiu meer dan voldoende voor een onvergetelijke dag.

Terug gingen we met het vliegtuig, een Antonov uit 1962. International Airport Sibiu bleek bestierd te worden door één enkele dame. Met hoofddoek en schort knipte ze de kaartjes, leegde de vliegtuigasbakken, zwaaide met de pinpongbatjes en controleerde het landingsgestel. Dat laatste deed ze door met haar kaplaars tegen een wiel te schoppen. Daarna stak ze een duim op naar de piloot en duwde ons, samen met twaalf Italiaanse zakenlieden, het vliegtuig in. Tijdens de reis werd er niet gesproken, af en toe voorzichtig geademd. Volgens Edo heb ik hem de volle veertig minuten in zijn arm geknepen, zeer hard, terwijl hijzelf schaterend ‘Het boek van violet en dood’ las. Applaudisseren na een landing vond hij al onzin, dus de staande ovatie van de Italianen ronduit bespottelijk.

 

Edo’s tweede bezoek was maar kort. Hij kwam met z’n nieuwe ‘verloofde’ (Els?) om trots ‘zijn’ Roemenië te laten zien. Ze huurden een auto en reisden in een week het land door. Het kan zijn dat hij voorafgaand en/of aansluitend nog een lesje gaf.

De derde keer, eind ’97, maakte hij het goed met een volle lesweek, samen met Jeroen Vullings, een studiegenoot van mij en net als ik oud-leerling van Edo. De jumelage met de UvA had ons faculteitje al drie bezoekjes opgeleverd van, op papier, interessante docenten, te weten Wim Klooster, Jan Stroop en Hans Maureau. Geen van allen had echter veel benul gehad van de belevingswereld en taalvaardigheid van een 19-jarige Roemeense studente die nooit over de grens was geweest en nog geen jaar de taal had gestudeerd. Edo kon in drie minuten ruiken welk vocabulaire hij op welke klas kon loslaten en – tijdens literatuurlessen – welke tegennatuurlijke passages hij moest overslaan, wilde hij de studenten niet de stuipen op het lijf jagen. Die neus ontbrak bij de gastdocenten (tegen bezoekkosten waarvoor drie studenten een zomercursus hadden kunnen volgen). Hun verhalen waren natuurlijk geweldig interessant, maar enkel voor Nicolaescu en mij. De rest van het gehoor ging het mijlen boven de pet, qua inhoud en woordkeus. Ook de goedbedoelde smalltalk, voor en na hun betogen, deed meer kwaad dan goed. De vraag ‘waarom studeer je Nederlands?’ getuigde al van weinig kennis van de wereld, maar de meesten flikten het om er ook nog ‘in godsnaam’ aan toe te voegen. En ook verzekerde het gros de leerlingen dat we bij ons allemaal Engels spraken, daarmee al mijn gezwoeg en peptalks de grond in stampend. Ook reuze-irritant was de Hollandse ‘weg-met-ons’-neiging, de calvinistische vorm van stoerdoenerij, waar geen enkele buitenlander op zat te wachten. Zelfs uitgenodigde literatuurcritici vonden het nodig om voortdurend te roepen dat het voorland van deze vertalers-in-de-dop – de Nederlandse literatuur – weinig voorstelde. Gelukkig kon het gros er niks van verstaan. Maar voor ‘de goeien’ was het uiterst gênant. Goddank maakten Edo’s literatuurlessen van twee jaar later alles weer goed.

Ik was zeer zwakjes tijdens dat bezoek –  ziekte van Pfeiffer – plus dat ik zorg moest dragen voor twee kleine kinderen. Maar mijn excentrieke wederhelft compenseerde dit voor 100%, nam mijn veermanschap naar het plaatselijke schimmenrijk met verve over. Edo en Jeroen werden meegesleept naar heftige zigeunertenten en blitse bars, zagen meer dan ik ooit zou zien van het ontluikende, c.q. ontaardende Roemeense nachtleven. Slapen deden ze goddank niet bij mij maar in het nieuwe universitaire gastenverblijf. Jeroen heeft aan dit bezoek een verloofde overgehouden, zoals ik pas veel later ontdekte. Nog steeds heel nieuwsgierig hoe hij hem dat toentertijd heeft gelapt.

In die tijd maakte ik een foto die inmiddels boven mijn bed hangt. Met een atletische beweging tilt Edo mijn Rolandje, 7 maanden oud, hoog boven zijn hoofd.

img-20161028-wa0000

 

 

Hoofdstuk 19 – Vrouwen en Nieuwe wegen (’95-’99)

Tijdens mijn tweede ambtstermijn in Roemenië, tussen 95 en 99, ging ik vaker naar Nederland. Dan moest er onmiddellijk geëvolueerd worden met Edo. Rond kerst ’97 kwam ik met Roland, 9 maanden oud, naar Amsterdam. en opdat we toch aan de drank konden, mocht hij bij Jeannette worden gestald. Die woonden toen met Jan – een jaar of 9 inmiddels – in een schattig huisje in de Bronckhorststraat. Ze was juist bezig met fonologisch onderzoek naar ‘tweetalige’ baby’s en Roland was dus meer dan welkom. Drie uur later bleek dat het object zich uitstekend had vermaakt en in alle gewenste klankkleuren had gekraaid en gekwetterd, dit tot grote vreugde van de onderzoekster.

Ik heb Jeannette niet echt gekend, maar was evengoed dol op haar. Het was een feeërieke verschijning met kalme gebaren, een ietwat ironische blik en een opvallend mooie, zachte stem. Mijn fijnste herinnering aan haar is een bezoekje in de lente van ’89, toen Jan net geboren was. We dronken thee op een bankje in haar sprookjesachtertuin (ik geloof in de Trompenburgstraat), fijn zonder Edo erbij.

Hoe het zat tussen die twee leek me wel duidelijk, we spraken er weinig over. Ik schatte hun band in als een respectvolle liefde die van lieverlede vergleden was in liefdevol respect. Jeannette zou Jan opvoeden, dat was vooraf bepaald, maar ze hadden misschien niet gerekend op de vigoureuze vaderlijke instincten die na de geboorte opborrelden. Die vaderrol zou hij steeds serieuzer spelen, zeker na Jeannettes overlijden in juni 2001.

Edo had weleens ‘een verloofde’, zoals hij ze noemde, waar ik hem niet over uithoorde, zoals hij mijn affaires onbesproken liet. Maar toen ik in ’96 met een wel zeer flamboyante vamp op de proppen kwam, kwamen de verhalen los, én de waarschuwingen. Het bleek dat onze eendracht, behalve op allerlei fraais, ook gebaseerd was op een zelfde hang naar het impetuoso, veelal in de vorm van ‘heftige’ vrouwen, types die het er echter bij blijken van heroverweging ‘niet bij lieten zitten’, die spelden tussen zijn deurbel staken en hun arm tot de elleboog door de brievenbus. Helaas, zijn wenken in dezen kwamen voor mij net te laat.

In de zomer van ´99 keerde ik voorgoed terug naar Nederland, berooid en lichtelijk doorgedraaid. Als troost had Edo een baantje voor me geregeld, op de Zomercursus Nederlandse Taal en Cultuur te Zeist/Woudrichem. Edo was daar een jaar eerder voor gevraagd door Gerard Elshout, een man die hij in 1994 via Lotty van Minnen (NT2-docente op de UvA en een wederzijdse kennis) leerde kennen. Vier jaar later viel er plots een docent uit en Gerard hoopte onmiddellijk op Edo. Diens NVT-ervaring bestond uit slechts twee gastdocentschappen, maar Gerard had het goudhaantje meteen herkend en regelde, zoals het Lorentz 25 jaar eerder, ogenblikkelijk een ontheffing. Edo was zelf minder overtuigd van zijn competenties, maar na wat smeken en pluimstrijken stemde hij in. Het bleek fantastisch en z’n verhalen maakten me erg jaloers. Terecht, want het bleek nog honderd keer leuker dan gedacht.

Twaalf jaar lang gaf ik er les, samen met Edo, drie weken per jaar. De opening van de allerlaatste zomercursus vond plaats op de dag en het uur van Edo’s begrafenis.

 

 

 

Deel 4 – Zeist   (1999-2010)

 

 Hoofdstuk 20            Zeist, deel 1                    

Het effectiefste en tegelijk mooiste wat ooit georganiseerd is ter verbreiding van de Nederlandse taal en cultuur was de Zomercursus te Zeist, dat wil zeggen, zoals hij was toen ‘Mr. Felisenum’ er lesgaf. Dat gebeurde twaalf keer, tussen 1998 en 2010, en toen ik in 1999 mee mocht doen had Edo daar ook al de ‘Mister Zeist’-titel weggesleept, iets wat niemand van de honderden cursisten, collega’s of het bedienend personeel zou hebben betwist. Tien keer gaf ik de cursus samen met Edo, in mijn leraarscarrière waren dat tien drie weken durende hoogtepunten en tien bewijzen dat je Edo´s adviezen, zoals dat van 20 jaar eerder, soms beter naast je neer kon leggen.

De drieweekse cursus werd sinds 1955 gegeven, eerst sobertjes te Breukelen, in anjv-barakken, en vanaf 1996, zeer gerieflijk, in conferentieoord Woudschoten, diep in de bossen bij Zeist. Tot 2011 zorgde de Nederlandse Taalunie voor de financiering, de IVN voor de organisatie en de docenten voor de inhoud. De doelgroep bestond grotendeels uit veelbelovende extramurale studenten Nederlands, veelal uit Zuid-, Midden- en Oost-Europa. De rest kwam uit landen waar de Taalunie graag wilde uitbouwen. Per jaar kwamen er zo’n 140 cursisten, afkomstig uit gemiddeld 24 landen. Woudschoten was enorm, had 100 comfortabele hotelkamers, 15 leslokalen, een flinke ´lounge´ en een even grote ‘kelderbar’, een heel behoorlijke keuken en een eetzaal waar 200 mensen konden aanzitten. De boel werd omgeven door een parkachtig bos van 2 bij 2 kilometer, tjokvol konijnen. Voor ons docenten was het fantastisch, maar voor de studenten had het wel wat minder gekund. Ook wat de financiën betreft heeft de Taalunie haar problemen over zichzelf afgeroepen.

De mensen met wie Edo in Zeist het langste samenwerkte waren: Joke Best (Duitsland), Jacques Dehue (Polen), Kitty Molenaar (Den Haag), Arjen Roodvoets (St. Petersburg), Tjitske Tjordman (Brussel), Chris van Veen (VU), Eddy Verbaan (Sheffield), Arthur Verbiest (Madrid), Gerard Elshout (Indonesië + cursusleider) en Marja Kristel (zakelijke leiding). Iets minder lang met Pleunie Hooft van Huysduynen (Boedapest), Anita van der Hulst (Belgrado), Onno ter Haar (Boekarest), Josien Lalleman (Dutch Studies), Ine van Zeeland (Boekarest), Pietje Garthoff-Zwaan (Amsterdam), Pablo van Suchtelen (Portugal) en Johanna Roodzant (Duitsland).

12308708_10153637326894333_8905325538279127597_n

De voorpret begon elk jaar op de eerste vrijdag van februari. Dan verzamelden de vaste docenten zich voor de ‘Voorbereidingsvergadering’ op het Lange Voorhout, op het veel te mooie hoofdkwartier van de Nederlandse Taalunie. Op de stoep werd nog snel wat geknuffeld en gegiebeld, waarna we ernstig naar binnen schreden om in de kroonzaal de komende cursus te bespreken. De vergaderingen hadden – iets overdrijvend – het volgende verloop: Marc le Clercq, Taaluniehoofd in kwestie, zat voor en somde, onmiddellijk na opening, al het hachelijks en penibels op dat ophanden was, stipte gevaren, bedreigingen en minpunten aan en wees tot slot met nadruk op problemen en beperkingen. Daarna was de beurt aan Marja Kristel, hoofd IVN, om welgemoed te vertellen hoe fantastisch alles het vorig jaar was gegaan en hoe zonnig het komende jaar eruitzag. Vervolgens mocht de rest van het gezelschap ideetjes opperen voor nieuwe keuze-uren, excursies en gastsprekers. Als dat allemaal klaar was, keken we vragend naar Edo. Die schraapte dan zijn keel en vatte met zakelijke stem ons gekeuvel samen en vertelde op democratische doch apodictische toon wat er van ons gebabbel verstandig en haalbaar was. Marc had de portemonnee en dus het laatste woord, maar Edo’s laatste woord bleef hangen, tot de tweede zondag van juli.

Drie minuten na sluiting van de vergadering holde het lerarenkorps juichend naar Bodega De Posthoorn, voor een voorschotje op de komende Kelderbarsessies.

De cursus begon meestal op de tweede maandag van juli. Wij verschenen de avond tevoren, ik met een fietstas vol kopietjes, Edo met een stationwagentaxi vol boeken, de laatste jaren gereden door zijn favoriete (rustgevende reggae draaiende) rasta-chauffeur.

Het eerste avondeten, in het lege kolossale gebouw, was nog ingetogen. We schepten wat op over carrière-moves en nieuwe lesideeën, bewonderden Kitty’s altijd weer totaal nieuwe coupe en grinnikten om een vervreemdende lesanekdote van Piet. Daarna deed Chris’ eerste zeer unfaire accent-imitatie en deden we ons best aan te sluiten bij de Brusselse perikelen van Tjitske (die volgens Edo het unieke doch veeleisende talent bezat om een gesprek, dat elf maanden eerder was afgebroken, zonder aankondiging met een aanvullende bijzin voort te zetten).

Na het eten – zonder wijn, want dit jaar zouden we verstandiger zijn – haastten we ons naar ons lokaal. Dat moest heel leuk ingericht worden, niet zo zeer voor de studenten als wel voor je collega´s, opdat die zich zouden opvreten van jaloezie. Dat inrichten deed je met al wat je het voorgaande jaar had vergaard aan posters, boeken en geinige Holland-gadgets. Over Edo´s koddige attributen later meer.

Edo 2007
Edo, augustus 2007, omringd, met de klok mee, door Gerard Elshout, mij, Onno Terhaar, Tjitske Tjordman, Ine van Zeeland en Josien Lalleman

Die stiekeme concurrentiestrijd werd in de volgende drie weken vrolijk voortgezet: in alles jutten we elkaar op. Dit vriendschappelijk strijdje tussen zeer ervaren docenten leidde tot allergeweldigste resultaten. [Juist dat mechanisme heeft de Nederlandse Taalunie nooit kunnen of willen begrijpen. Hun waanzinnige, uit de lucht gegrepen ideeën over ‘nieuwe inzichten in didactiek” en “de behoeften in het veld”  zouden leiden tot de verwoesting van wat in 55 jaar was opgebouwd. Daarover is het laatste jaar veel verontwaardigs geschreven. Edo heeft dat niet meer kunnen lezen. Verdomme.]

In de Kelderbar werd daarna het eerste glas geheven, want het was tenslotte vakantie. Gespannen namen we de deelnemerslijsten door. Waren er dit jaar niet wat erg veel Italianen? En waarom zo weinig Roemenen? En wat moest dat mens uit Venezuela?

De volgende dag rond twaalf uur zouden de bussen arriveren. In onze allerleukste kleren stonden we klaar.

 

Hoofdstuk 21 – Vriendschap en leraarschap, deel 2 (15 jaar later)

In ’99 ging ik meedoen in Zeist, 38 jaar oud inmiddels. Ik werd collega van Edo, met zelfde status en salaris. Mooi moment, leek het, om mijn paladijnschap af te leggen, om gewoon vrienden te worden. Maar dat lukte niet, nooit echt, want ware vrienden verachten elkaar op z’n tijd, hebben weleens een grote bek, proberen elkaar schreeuwend op het rechte pad te houden. En ik kan me niet één stemverheffing herinneren. Heftige gesprekken hadden we wel degelijk, daar niet van, maar onze twist en tweespalt duurde nooit langer dan een minuut. Ook elkaar treiteren deden we naar hartenlust, de hoon gingen over en weer, in de wandelgangen van Woudschoten het liefst zo luidruchtig mogelijk. Passerende studenten lieten we verbijsterd achter – maar de smaad gold hooguit een lelijk overhemd of vieze eetgewoonte.

Dat het zelden tot tierende discussies kwam, lag vooral aan mijn beschetenheid, c.q. te grote bewondering. Het voelde alsof hij het recht had om de betweter te zijn die hij was. Pedanterie kan ik slecht verdragen (niet langer dan een sollicitatiegesprek), maar van Edo’s vrolijke frikkengedrag genoot ik volop. Zijn ontstellende belezenheid (op z’n 40ste al in geen twee mensenlevens meer te evenaren), in combinatie met zijn hypersnelle hersentjes, deden je bij elke tegenwerping aarzelen: ‘Verrek, als hij het zegt, zal d’r wel iets inzitten’. Met gevolg dat ik alleen maar in opstand kwam als ik beschonken raakte (gewoonlijk tegelijk met hem). Dan wees ik hem er dapper op dat hij een ouwe, dikke opschepper was, dat hij er geen idee van had hoe de wereld er voorbij het Felisenumhek uitzag, dat hij, uhh, met z’n boekjes, hoe zeg je dat, dat ik, dat mijn studenten, nou ja, mij ook best hartstikke leuk vonden en dat Nirvana dus beter was dan de Kinks, want wat wist hij er nou van, met z’n stomme gele stropdas…

Maar de volgende dag was de muiterij weer vergeten en was ik weer zijn grijnzende secondant, twee koppen groter. Maar als we samen door Boekarest of Woudschoten liepen zakte ik als vanzelf iets door de knieën.

Dezelfde beschetenheid weerhield me ervan dit verhaal te schrijven toen het slechter met hem ging, maar toen hij het nog wel had kunnen lezen. Een andere reden was dat ik hoop op herstel hield, en zijn eigen hoop daarop niet met afscheidsverzen wilde ondermijnen. Maar sterker speelde mijn tegenzin hem complimenten te geven: dat leek me overbodig, wat had zo’n geweldenaar aan gevlei? Daarbij wist ik dat elke loftuiting – ‘goh, wat kan jij goed tafeltenniscommentaar geven!’ – hem dwong tot ongemakkelijk gegnuif en Gronings wegwimpelgedrag. Meer mensen zullen dat bij Edo gedacht hebben, en hun waardering te lang voor zich hebben gehouden.

Inmiddels heb ik 25 jaar van mijn omgang met Edo beschreven. Niet gedacht dat het zoveel tekst zou worden, dat ik zoveel kwijt moest, dat ik met hem zoveel kwijt was geraakt. Al schrijvend besef ik dat hij mijn nederige gezelschap al die jaren bleef zoeken, gesteld bleef op mijn onnozele meningen en nieuwsgierig bleef naar mijn niet altijd even hoogstaande cv. En dat de affectie blijkbaar wederzijds was,

Ik ben een stoere kerel, wars van idolatrie, spijkerhard en alles relativerend, maar qua Edo pleegt mijn gestel te verslappen. Zij het niet altijd op het goede moment. Want met al dit geschrijf had ik hem, bij nader inzien, toch best een prettig kwartiertje kunnen bezorgen. Daarna had hij me dan – als compensatie voor de gêne – nog een uurtje mogen uitlachen om alle stijlflaters en congruentieblunders.

Als het ons gegund was, had ik twintig jaar later, klaar met alles, deze teksten ongetwijfeld wel voor hem durven opschrijven. Maar zoals u weet is hij twintig jaar te vroeg gestorven.

 

 

Hoofdstuk 22 – Zeist, deel 2 De opening

De cursus begon op de tweede maandag van juli. Om 12 uur werden de studenten met bussen opgehaald van station Utrecht, vanaf 2005 meestal begeleid door Edo´s zoon Jan, bijna 17 inmiddels. Na de inschrijving op Woudschoten verdween hij het secretariaat weer in waar hij de bibliotheekboeken elk jaar uit- en inpakte.

In de loop van de cursus dook Jan af en toe weer op, soms bij ‘special events’, soms gewoon om Edo nog wat meer te laten glimmen. Ook op de discoavonden was hij (met bevallige blauwe ogen en aanvallige blonde krullen), een graag geziene gast, meer dan graag zelfs, want het vrouwenoverschot was steevast schrijnend en tegennatuurlijke taferelen moesten voorkomen worden.

Na de lunch werden de koffers in de kamers gestald en de studenten ontboden in de aula. Daar zat het docentenkorps klaar, op een rijtje, zeven mannen en zeven vrouwen naast elkaar. Het was een vreemd eclectisch clubje, de meeste een tikje extramuraal vervormd, de rest van zichzelf al wat extravagant. We waren allemaal even vrolijk, maar tegelijk óf te dik óf te dun, óf te groot of te klein, te bleek of te gebruind, te jong of te oud, te kaal of te harig. De jongelui werden door veertien vreemde snuiters toegeglimlacht, gekleed volgens de mode uit zeven verschillende tijdvakken en zeven verschillende Europese smaakzones. Zowel voor de berooide Oekraïner – met net 30 uur bussen achter de rug – als voor de kokette Française – die drie uur eerder in Lille de taxi had genomen – moet het een verontrustend gezicht zijn geweest. Was dit het docententeam van de meest prestigieuze taalcursus van de Lage Landen? Van de dames – sommigen in mantelpak, anderen in pantersuite – ging nog enige bekoring uit, maar die werd met kracht tenietgedaan door de stropdassen van de heren; die leken alle afkomstig uit erfenissen en feestwinkels (de mijne was een uitzondering, hoewel het oranje niet ideaal kleurde bij mijn groene colbert). Het was geen onwil, maar onmacht. En misschien waren we dan wel niet zo presentabel, we waren wel zeer representatief, zij het representatief voor een club Nederlandse leerkrachten, een combinatie die helaas niet altijd even mooie plaatjes oplevert, nog minder als tips van het thuisfront moesten worden ontbeerd. Alleen de cursusleider voldeed aan het verwachtingspatroon. En conrector Edo natuurlijk!

De cursus werd geopend in aanwezigheid van de Taalunie. Edo was, net al wij allemaal, bijzonder gesteld op projectleidster Jacqueline Balteau en de onvermoeibare administrateur Rob Visser. Ten aanzien van de rest van het personeel waren we wat terughoudender. De openingsspeech kwam van het regerend Taaluniehoofd, dat wil zeggen als die niet vanwege een onverwachte dienstreis of een gebroken teen had moeten afzeggen. Dat gebeurde vaker (bij de opening van dit belangrijkste evenement van dit instituut), maar werd zelden als een gemis gevoeld. Taaluniehoofden werden namelijk zelden geselecteerd op empathisch vermogen, en nog minder op begrip voor de taalvaardigheid van een tweedejaars uit Lille of de spanningsboog van een Oekraïner na 30 uur bussen. (Waar ze dan wel op werden geselecteerd is een goed bewaard geheim gebleven.) Tijdens die veel te lange en veel te moeilijke toespraken wisselde ik blikken met Edo. Diens mimiek kon zich meten met z’n verbale kunnen, voor de goede verstaander weliswaar want het was millimeterwerk. Met een minuscule wenkbrauwheffing kon hij een speech de grond in boren. Nog dodelijker was zijn neusvleugeltechniek, die lelletjes kon hij namelijk op bevel laten trillen. Heel eng was dat, ook omdat hij er een duistere blik bij in zijn ogen kreeg. Op een kat leek hij dan die een vogel zag, of erger, op een psychopathische tandarts. Uit een ooghoek zag ik bij elke enormiteit een wenkbrauw wippen of een neusvleugel sidderen. In combinatie met de 140 onthutste gezichtjes voor me betekende dit vaak een kansloos gevecht tegen de slappe lach.

Na nog een vriendelijk welkomstwoord van cursusleider Gerard en een vrolijk verhaal van zakelijk leidster Marja, met een elk jaar beestachtiger beeld van de Nederlandse fietsendieverij, werden de 140, nog steeds zeer verbouwereerde cursisten in zes groepen opgedeeld voor het intake-examen. Een prachtige beschrijving daarvan vind je in het boekje ‘De woorden en de schatjes’ dat Piet de Kleijn – zo’n twintig jaar drijvende kracht van de cursus – in 2015 heeft uitgegeven (een must voor elke nvt- of nt2-leraar). Zo jammer dat Edo het niet meer heeft kunnen lezen.

Naar aanleiding van de toetsresultaten moesten de zes groepen studenten door elk twee docenten in 12 niveaugroepen worden ingedeeld. Samen met Edo deed ik dat nooit, maar we waren elkaar daarbij wel zeer indachtig, in het geheim natuurlijk. Edo had van meet af aan ‘groep 7’ en ik de laatste jaren ‘groep 10’, en we wisten precies van elkaar op welk soort we aasden. Bij de minste twijfel vertelde ik mijn medebeoordelaar dus dat die ene Oekraïense literaire criticus (die eigenlijk nauwelijks goed genoeg was voor niveau 6), toch veel beter tot zijn recht zou komen in groep 7. En kokette Françaises die eigenlijk iets te goed waren, schoof Edo, zeker in mijn vrijgezellentijd, stiekem terug naar groep 10, bijvoorbeeld omdat hun kennis van de Nederlandstalige popmuziek nog wat te wensen overliet.

Na het avondeten bepaalden we de groepsindeling, een koortsachtig geknip en geplak, en huppelden tot slot naar de Kelderbar, voor één drankje, want de volgende ochtend was onze eerste groepsles en je wilde toch minstens één keer fris en uitgeslapen de les binnenkomen.

 

Hoofdstuk 23            Zeist, deel 3 Uren in de eigen groep

Op de meeste dagen werd er eerst twee uur in de ´eigen groep´ lesgegeven. Daarna waren er voor de acht hoogste groepen twee ´keuze-uren´ (waarover de volgende keer meer). De 140 studenten waren verdeeld over twaalf niveaugroepen. In Groep 1 zaten de absolute beginners, waar de cursus echter absoluut niet voor bedoeld was. Maar ze waren ze er toch steeds weer, misschien erdoorheen geglipt met vervalste cijferlijstjes, misschien gematst omdat ze uit een zonnig land kwamen waar een Taaluniebestuurder graag voet aan de grond wilde. Groep 12 waren de ‘hele goeie’, volk dat enkel nog wat rare uitdrukkingen (infrequente varianten) moest leren en verder trots mocht rondlopen en zich laten pamperen, als beloning voor eenzame ijver ´s buitenlands. Edo had altijd Groep 7, want ‘Groep 7 is de beste groep’ zoals hij z’n studenten op de gangen liet scanderen. Ook was hij op dat niveau gebrand omdat daar ‘al fijn veel uitkomt en nog fijn veel in kan’.

Edo’s lokaal was als een museumpje. De vensterbanken lagen vol aanlokkelijke boeken en kopietjes van opzienbarende artikelen. Aan de muur hing een landkaart en wat opgewekte postergedichten en op zijn bureau stond een kooitje met twee pluchen vogeltjes erin die piep-piep konden zeggen. Waar hij dat ding had opgeduikeld weet ik niet, wél waarom hij het elk jaar weer liet opduiken. Die vogeltjes heetten namelijk Marja en Gerard, toevallig net als onze twee leidinggevenden. En die twee hadden natuurlijk van alles te bespreken. Wát precies moesten de studenten verzinnen, opschrijven en inleveren. De leukste ‘vogeltjes­dialoogjes’ kwamen in de ‘Zeistmograaf’, de wekelijkse cursuskrant. En dat waren er een hoop.20151028_113928

Op Edo´s bureau stond verder altijd een robuuste rode houten tulp, voor het mooi denk ik, en een piepklein digitaal klokje, want een blik op een horloge zou de indruk kunnen wekken dat hij zin had in koffie.

Vooral die vogeltjes waren in hun meligheid typisch voor Edo’s groepslessen. Daarin zorgde hij eerst voor een vrolijke, licht-infantiele sfeer en vervolgens vroeg hij de studenten om hun kennis en vaardigheden te tonen. De evaluatie gebeurde weer wél op degelijke, academische toon. Op deze manier haalde hij bij de schrijf- en spreekprestaties het onderste uit de kan en bovenal leidde het tot lol in het vak en liefde voor de taal, oftewel tot vlijt en bezieling.

[En daar was die zomercursus verdomme (en zeker volgens Edo) nou juist voor bedoeld, niet om een ‘meetbaar effect te sorteren, uitgedrukt middels een begin- en eindtoets’, waar de Taalunie vanaf 2009 om begon te roepen, ingefluisterd door een handjevol onnozelaars (´tettezotten´ in dit geval) met anderhalve dag leservaring. Hun larie zou resulteren in de verwoestingen van 2011 en de totale ondergang in 2014. Maar daarover – en over hun konijnenholvisie op de rol van automatisering in het taalonderwijs – een ander keertje meer.]

Zijn lessen waren verder gericht op idioomuitbreiding en spreekvaardigheid en gingen uit van eigen, liefst lekker afwijkend materiaal, waar hij, net als alle zomercursusdocenten het hele jaar door naar speurde (want gebruik van bestaand materiaal was not-done, oftewel uiterst verachtelijk). Al dat unieke materiaal was, behalve om de studenten te behagen, ook bedoeld om de collega´s de ogen mee uit te steken. Een belangrijke troef die Edo vanaf 2004 in de strijd gooide was ´De Allerhande´. Hij vertelde ooit per ongeluk kennis te hebben gemaakt met de tekstschrijver, een jofele kerel die verzot was op woordspelingen en Oudhollandse uitdrukkingen. Het blad bleek een onuitputtelijke bron voor idioomonderwijs: aan de koppen van één aflevering kon Edo een uur besteden. (En ik laat dus nog steeds iedere maand stiekem een stapeltje in mijn boodschappentas glijden.)

‘Leuke Liedjes’ waren aanvankelijk mijn fort en gezien Edo’s dédain voor popmuziek duurde het even voordat Edo overtuigd was van het rendement. Het werd een klein onderdeel van z’n lessen, maar het succes was er niet minder om: zeer lastige Borsato-constructies als ‘één keer in de zoveel tijd komen dromen uit’ schalden door de gangen van Woudschoten. Een andere favoriet, altijd ingestudeerd op de dag voor de Amsterdamexcursie, was ‘Aan de Amsterdamse grachten’ met Edo’s lievelingswoordjes ‘alleen de bomen dromen’ en ‘over ’t water, gaat er’, die hij op de rondvaartboot zachtjes in je oor zong.

Een laatste onderdeel dat ik me herinner van zijn lessen ‘in eigen groep’ waren de contactadvertenties, iets wat hij eerder in Roemenië had verzonnen. Dat bleek ook hier een zalig uitgangspunt om studenten te verleiden tot onbevangen gewoeker met hun begrensde woordenschat. Hier zijn eigen advertentie in de Zeistmograaf uit 2003:

“Jeugdig ogende docent (020,175,68) zoekt een ‘gesprekspartner’ (m/v). Beslist geen buitenlander!!! Ben je vegetariër, rook je en hou je van literatuur? B.o.n. met foto lokaal 27.”

Op de één na laatste dag was er een leerlingenenquête. Dan moesten ze aangeven op een schaal van 1 tot 5 wat ze van van alles hadden gevonden. De onuitgesproken competitie tussen de docenten, waar ik het in een vorige aflevering al over had, vond dan een bloedstollend hoogtepunt. Wat de studenten van de salades hadden gevonden, interesseerde ons geen biet, ook niet hoe ze de geweldige lezingen en fantastische excursies hadden ervaren. Het enige wat telde was de beoordeling van ‘lessen in de eigen groep’.

Een citaat van Edo uit een interview in de Zeistmograaf: ‘Als jullie bij de enquête je kruisjes niet gezet hebben onder ‘zeer tevreden’, pleeg ik een rituele harakiri.’

Voor mij was Edo een ijkpunt: elk jaar kwam ik een heel klein beetje dichter in de buurt van zijn ‘excellente’ beoordelingen. Die van hem waren trouwens niet de beste: Eddy Verbaan streek altijd met die eer, om zijn prachtige glimlach natuurlijk, daar was Edo’s beschroomde giechellachje kansloos bij.

Tot slot nog Edo’s kwatrijn uit het ‘docentenlied’ van 2006 (een lied waarin elke docent op de afscheidsavond in vier regels zijn groep moest toezingen, op een koddig fiederalalawijsje).

 

Groep ZEVEN droomt van bomen en bedrog
Van Joana’s geheim en Allerhande nog
De vogeltjes zijn uitgepraat
De kliko staat weer aan de straat

 

 

Hoofdstuk 24 – Zeist, deel 4   De keuze-uren

Edo’s keuze-uren waren om te likkebaarden, maar voor ons docenten bleef het daarbij, wij hadden niks te kiezen, moesten zelf aan de bak. We hadden natuurlijk camera´s naar binnen moeten smokkelen, dan waren de parels niet alleen voor de zwijnen geweest. Maar ach, we waren jong, dachten dat alles eeuwig zou duren. Afijn, hieronder Edo’s programma uit 2005:

Grammatica voor gevorderden: strategieën en preferenties: hoe zég je iets in het Nederlands?
  • Preferentiestrategieën: de eerste plaats als focus – ‘Gelezen heb ik dat boek niet!’
  • Topicalisatie en dislocatie, actief/passief – ‘Mozart, daar heb ik genoeg van!’
  • Zinstypologie: topicalisatie verbum – ‘Komt een man bij de dokter…’
  • Werkwoordstijden: gaan en zullen – ‘Gaan we een eindje wandelen?’
  • Werkwoordstijden: hebben en zijn – ‘Heb je gewandeld of ben je komen fietsen?’
  • Kern en hulpwerkwoorden – ‘Ik zou dat wel eens hebben willen zien gebeuren!’
  • Kern en adjectieven/adverbia – ‘heel erg lekkere gele Edammer kaasjes’
  • Kern en modaliteiten – ‘Zou je nu eindelijk eens even je mond willen houden?’
  • Voorzetsels I – ‘Recht op het doel af!’
  • Voorzetsels II – ‘Denk eraan, erover en erom!’
  • Taalverandering I – ‘Zit me niet te fokken, ik wil tv-kijken.’
  • Taalverandering II – ‘Het boeit me niet of je aso of depri bent.’
  • ONS versus ANS – ‘Onze Nederlandse spreektaal: Hoestermee?’

Bij de meeste van deze voorbeeldzinnetjes zal een taaldocent even de wenkbrauwen fronsen en toegeven dat het een onderwerp is waar hij gewoonlijk stiekempjes langssluipt (‘Oei, als die ene Russin er maar niet over begint…’) of dat het kwesties zijn die een uur uitleg vergen waarbij  je de goede voorbeelden nooit op tijd te binnen schieten. In de Kelderbar bracht je dan weleens wat ter sprake bij Edo, maar dan werd je om de haverklap onderbroken door geëxalteerde Russinnen die  aandacht, aandacht, aandacht wilden. Ik weet dus nog steeds niet goed waarom het ´heel erg koppige witte Franse wijn´ moet zijn en niet ´heel erg koppige Franse witte wijn´.

Edo’s tweede keuze-uur was Modern proza. Hier de playlist uit 2004:
  • Barber van de Pol, Er was wat met Meneer Maker & Mevrouw Maker
  • Erwin Mortier, Marcel
  • Frank Westerman, El Negro en ik
  • H.M. van den Brink, Over het water
  • Peter Terrin, Blanco
  • Ilja Pfeijffer, Rupert
  • Donald Niedekker, Keldermans
  • Jan Tetteroo, Protocol Overspel
  • Hans Münstermann, Het gelukkige jaar 1940
  • Harry Mulisch, Siegfried
  • Arie Storm, Afgunst
  • Annelies Verbeke, Slaap!
  • Thomas Rosenboom, De nieuwe man

Deze lijst was elk jaar totaal anders, afgezien van Edo’s steeds terugkerende protegés, d.w.z. een paar minder gevierde schrijvers die hij een vertaling gunde, te weten Arie Storm, Barber van de Pol, Jan Tetteroo/Hans Münstermann en Ilja Pfeijffer (toen die nog niet zo gevierd was).

Zowel wat die grammatica als de literatuurlessen betreft, voelden de docenten (toch allemaal zelfgenoegzame types), dat ze iets unieks aan het missen waren: ‘Verrek,straks weten die studenten meer dan wij.’ Om erachter te komen wat hij in z’n lokaal allemaal te berde bracht, zetten we hem dus regelmatig klem in de lounge, de foyer en vooral in de Kelderbar. Met name de extramurale docenten, thuis verstoken van fijne boekhandels, wilden graag lijstjes van wat ze dat jaar gemist hadden en nu snel moesten inslaan. Het gretigst waren Claudia Huisman en Josien Lalleman die als idolate schoolmeisjes hun opschrijfboekje volschreven met wat Edo dicteerde.

Ikzelf zag in Zeist van lijstjes af, zelfs helemaal van gerichte vragen.

Elf keer gaf ik die cursus samen met Edo, elf keer zaten we drie volle weken op elkaars lip. En omgang met Edo was soms – hoe zeg je dat – een beetje teveel van het goede. Je kon hem voor te veel dingen gebruiken. Hij was de ultieme bron voor zowel kennis als pret, zowel een peilloze schacht vol raad en troost als een anticiperende zoekmachine voor tips en wenken. In de tijd vóór Zeist, toen ik nog maar drie keer per jaar een avondje bij hem te rade mocht, moest ik (qua tijd) de kool of de geit sparen – en dat driemaal in het kwadraat. Want welke van mijn duizend vragen brandden het meest, in welke van de duizend mogelijke richtingen zou ik het gesprek sturen? Maar als je je drie weken in Edo’s overdaad mocht wentelen, werd hij een beetje als YouTube: uiteindelijk teveel om te kiezen, een dusdanige overdaad dat je de tv maar weer aanzette. Oftewel: je liet hem maar praten, altijd genoeg stof voor weken citeren en jarenlang pronken met gepikte veren.

Interview met Edo in de Zeistmograaf van 2004

 

Hoofdstuk 25 – Zeist, deel 5

Lezingen

Edo publiceerde niets, en waarschijnlijk om dezelfde redenen gaf hij geen lezingen. Het gehoor zou dan immers uit meer dan plooibare studenten bestaan, zelfs een expert kon er dan ineens tussen zitten. En de boude uitspraken – waar hij bepaald niet vies van was –zouden dan de apodictie van een artikel krijgen. En dat moest per se worden voorkomen. Edo wilde immers alleen kennis verbreiden, niet staan orakelen, geen controverses aanwakkeren, de wereld niets voorhouden waar hij niet voor 100% zeker van was. Noem het beschaving, wijsheid, zelfkennis of koudwatervrees, maar feit bleef dat hij met geen stok achter een spreekgestoelte was te krijgen. Oké, een cultureel kopstuk wilde hij nog wel even aankondigen, maar ook dan schuwde hij de adjectieven.

Op de zomercursus werden er voor de hoogste groepen op vijf middagen lezingen gegeven. Gastsprekers die ik me uit die twaalf jaar herinner waren Paul Schnabel, Jan Bank, Quentin Buvelot, Maarten Huygen, Herman de Wit, Marion Boers, Piet Emmer, Ton Anbeek, Jeroen Vullings en Arie Storm. Soms introduceerde Gerard Elshout de sprekers, soms deed Edo dat, maar het was altijd even hartelijk als kort. Introduceren betekende echter een uur luisteren en niet alle lezingen waren even geweldig, zeker niet als het voor de zesde keer was. Dan bleken zowel Edo als Gerard plots om te komen in het correctiewerk. Bij de lezingen over de Nederlandse literatuur stond Edo echter altijd paraat. Helaas waren het juist die lezingen die meestal de mist in gingen, gewoonlijk omdat het kopstuk in kwestie niet in staat was zijn standaardlezing aan te passen aan de doelgroep, te weten volk dat van toeten noch blazen wist. Natuurlijk had Edo die lezingen zelf moeten geven: zelfs voor de vuist weg zou zijn verhaal zes keer zo effectief zijn geweest. Een hele generatie vertalers was dan niet verloren gegaan door het chagrijn van Anbeek (natuurlijk een zeer capabel man, maar helaas niet capabel genoeg om zich te verplaatsen in een hongerige Hongaarse vertaler, in iemand die niet wil weten wat er mis is met Afths deel 7, maar wat er geweldig is aan deel 3). Ook opvolger Vullings had slechts een vage notie van zijn opdracht en wijdde uit over vaderlandse tekorten, vond het een goed moment om vlijmscherp af te rekenen met auteurs waar niemand voorbij Amersfoort ooit had gehoord, of ooit zou horen. En dat terwijl die kinderen daar toch zaten omdat ze dol waren, of dol moesten worden, op de Nederlandse literatuur, omdat ze smachtten naar de pareltjes die er natuurlijk wel degelijk waren. Waarom heeft Edo die microfoon nooit gegrepen? Mulisch had dan zeker z’n Nobelprijs gekregen. (Arie Storm deed het overigens een stuk beter, d.w.z. vrolijker, enthousiaster, informatiever, en niet over alle 150 hoofden heen.)

Een minilezing wilde Edo dan nog wel geven, voor de beginnersgroepen. De eerste keer ging dat mis: hij probeerde, ploeterend met 300 frequente woorden, een overzicht te geven van de hedendaagse letterkunde. Waanzin natuurlijk. In 2006 volgde een rigoureuze herbezinning, eentje die zou leiden tot een hoop pret en een Zweedse masterscriptie [In 2009 schreef Hjördis Müller een Masterscriptie over Nijntjevertalingen. In het voorwoord wordt Edo uitgebreid bedankt: http://su.diva-portal.org/smash/get/diva2:498189/FULLTEXT01.pdf ]

Edo’s Nijntjelezingen werden een groot succes, ook tersluiks bezocht door talloze gevorderden. Geen idee overigens wat hij daar allemaal vertelde; nog steeds benieuwd daarnaar want ik vond de tekstjes van Bruna eigenlijk allemaal flut. Edo zag dat blijkbaar anders, hoewel hij steeds maar één citaat had ter verdediging. Dat kwam uit ‘Het Spook Nijntje’, de horroraflevering. Moeder vraagt Nijntje dan hoe het viel bij haar vriendinnetjes, met dat laken over haar kop. Nijntje antwoordt: ‘Het ging heel goed / Want iedereen liep weg’.

Zeist 2000 (foto van foto van foto) met op de bovenste rij: Chris van Veen, op de tweede rij: Trees (? van de administratie), Tjitske, Piet, Marja, Pietje, Kitty, Ans Kranendonk, Jacques, Gerard, en op de onderste rij: Arthur, Claudia, Frank, Edo en Kees

Hoofdstuk 26 – Zeist, deel 6 – Gastschrijvers en andere optredens

Op de laatste donderdagavond kwam De Gastschrijver. Dat was een plechtig, sinterklaasachtig moment, ook al had de roem van de genodigde zelden onze grenzen gepasseerd. Al twee weken waren de studenten bezig met de uitverkoren schrijver van wie ze een recent werkje cadeau hadden gekregen. De dag ervoor peilden de docenten Edo nog even, opdat ook zij wisten wat ‘absoluut het beste werk’ was van deze auteur.

Op het voorbereidingsconclaaf in februari mochten we schrijversnamen roepen. Onze wensen werden door Marc Le Clerq hoofdschuddend genoteerd (want tegenwoordig werd alles almaar duurder). Edo´s nominaties gaven steevast de doorslag, aangezien alleen hij wist wat die types voor een zaaltje vermochten en daarbij wat ze daarvoor wilden beuren (dat wist hij omdat hij er al een boel voor het Felisenum had gestrikt).

Gastschrijvers die ik me herinner zijn Kader Abdollah (voor buitenlanders een raadsel en tegelijk een aanmoediging: hoe kon iemand die zo slecht Nederlands sprak, zulke leuke verhalen schrijven?), Kees van Beijnum (hoe kon iemand met zo’n vet Amsterdams accent, zo´n verfijnd boek als Dichter op de Zeedijk schrijven?), Joke van Leeuwen (anders gek helaas dan haar boeken), Mensje van Keulen (wat een schat!), Arthur Japin (‘deze uitspraak noemen Nederlanders ‘bekakt’’), Toon Tellegen (sprekerd van niks, maar o zo fijn om te vertalen), Rascha Peper (zijn haar verhalen ook zo braaf?) en Menno Wigman (leuke vent! maar ja, het blijft poëzie…). Ilja Pfeijffer mocht helaas niet komen, enerzijds omdat Edo en ik toentertijd alleen stonden in onze verering, anderzijds omdat de leiding vreesde dat hij taal uit zou slaan die de Wit-Russen onwelgevallig zou zijn.

Echt Grote Schrijvers waren te duur; alleen in 2005, op de 50ste zomercursus wilde de Taalunie een keertje in de buidel tasten en werd Harry Mulisch, toen 78 jaar en op z’n laatste benen, naar Woudschoten geteleporteerd. Zo’n tweeduizend euro moest dat kosten, maar hij deed geweldig z´n best (prachtig gekleed in zeven kleuren paars) en logenstrafte het beeld van de aangekondigde kwast. Edo leidde hem zeer professioneel in en hertaalde, zoals hij dat bij andere lezingen ook deed, op charmante wijze het Prlwytskovsky-Nederlands van de vragenstellende studenten.

Uit het boekje dat de studenten cadeau kregen, koos Edo een fragment dat in alle voorhanden moedertalen moest worden vertaald. Opdat elk van de 20 tot 25 taalgroepen een droomvertaling aan zou leveren, organiseerde hij daar op een vrije middag een werkgroep voor. Dat moet een heftige klus zijn geweest, want hoe kom je met 12 streberige Duitsers tot één vertaling? Edo sprak Frans, Duits, Engels en Italiaans (en wat culinair Roemeens) maar wat andere talen betreft moet het gewiekst nattevingerwerk zijn geweest. Ik was er niet bij, want als collega ging je niet bij lessen of werkgroepen van een ander zitten, ‘intervisie’ was taboe, dat leek op bemoeizucht, en in Edo´s geval op een te grote bewondering, een verering die je hem niet aan wilde doen. Als er studenten zijn die zich die werkgroep herinneren, hoor ik het graag!

Kitty Molenaar sorteerde de vertalingen en maakte er een fraai pakketje van, dat minder verwende schrijvers steeds weer tot tranen toe roerde.tien-stoute-katjes-mensje-van-keulen-boek-cover-9789045015064

Als we mazzel hadden, had de voordracht en het zetten van 150 handtekeningen de schrijver flink dorstig gemaakt. Dan nam hij in de Kelderbar plaats, aan de lange tafel tussen ons hijgerige docenten, voor een nazit, soms een heel lange, zoals met Kees van Beijnum – nog maar net beroemd en daar erg verbaasd over – of met Arthur Japin – ook net beroemd, maar allerminst verbaasd. Edo was de gastheer – alle redenaars duwden hem onmiddellijk in die rol – en hij zorgde ervoor dat hun glas vol en het vragenvuur betamelijk bleef en dat de schrijver rond twee uur ‘s nachts weer heelhuids in een taxi kwam te zitten richting Grachtengordel.

Edo was bij veel meer ‘bijzondere projecten’ betrokken. Erg leuk was bijvoorbeeld in 2007 de Zeeuwse hiphopper die hij had ontdekt en die in troubadourkostuum (en uit z’n hoofd) de hele Reinaert bij elkaar rapte. Ook prachtig was zijn presentatie van Hollands licht (2005), een film van Pieter-Rim de Kroon & Maarten de Kroon  (http://www.hollandslicht.nl/project/fragment-intro/). Hij had ervoor gezorgd dat de verschillende extramurale faculteiten vooraf een kopie hadden vertoond (van dit schitterend gefilmde onderzoek naar de claim van Joseph Beuys dat de Afsluitdijk het Hollandse Licht de das om had gedaan). Tijdens de cursus kon daar dankzij Edo allerlei leerzaams aan worden vastgeknoopt.

Er waren meer films waar Edo zich hard voor maakte, bijvoorbeeld Alex van Warmerdams ‘Ober’. Helaas was zijn constante gegiechel tijdens de voorstelling bijzonder irritant.

Krankzinnig veel energie stak hij in die cursussen; voor een fractie van zijn normale salaris offerde hij 12 jaar lang drie weken op van zijn vakantie. Gezever natuurlijk, want hij vond het geweldig, hij had het ook gratis gedaan. Maar toch.

Gerard Elshout was de onbetwiste cursusleider, en hij deed het al die jaren geweldig: chic en vrolijk, standing gevend aan het geheel. Maar zonder Edo – en we hebben dat in 2011 één keer moeten meemaken – was het als een feest zonder drank, als een vakantie zonder zon, als sinterklaas zonder Zwarte Piet.

 

Hoofdstuk 27, Zeist deel 7, Stadswandelingen en ander vermaak

Er werden vier excursies georganiseerd: naar Amsterdam, Den Haag, de Hoge Veluwe (met het Kröller Müller) en Rotterdam/Delft. Rotterdam en de Hoge Veluwe vond Edo maar niks: grote havens en hoge flats kon je overal krijgen, natuur idem dito, plus dat hij niet zo veel had toe te voegen aan beeldentuinen en impressionisme. Des te fanatieker was hij met Amsterdam en Den Haag, daar stippelde hij prachtigerrit-achterberg-passagege wandelingen voor uit. Over de tochten door Den Haag vertelden facebookers me 15 jaar later hoe roerend en indrukwekkend Edo’s voordracht in de Haagse Passage was. Een schallende versie van Achterberg gaf hij daar ten gehore, alsof het een Schubertlied was, elk jaar beter positie kiezend voor nog meer galm en nog dramatischere echo’s. Heeft echt niemand dat gefilmd?

Even later, bij het beeldje van Jantje aan de Hofvijver, gaf hij een voordracht van ‘In Den Haag daar woont een graaf’, door middel van zang en gebaar: ‘aan zijn arm een mandje…’.

 

 

 

 

 

Na het Binnenhof en het Mauritshuis werd het deel dat echt iets met Edo 2010Nederlands wilde, meegevoerd naar het Letterkundig museum. De meute en ik lieten zich uitgeput op het Scheveningse strand vallen.

Ook zijn rondleidingen door Amsterdam werden hooglijk gewaardeerd. Ik heb ze steeds gemist omdat ik tegelijkertijd met Chris van Veen op pad was met een andere groep. Nog steeds benieuwd wat hij over zijn stad te zeggen had, gezien een citaat uit de cursuskrant van 2006: ‘Amsterdam is de enige stad waar je wonen kunt’.

Het slopendste evenement waar Edo zich na 2005 elk jaar weer in stortte, was de pingpongcompetitie. In de foyer hadden de hele cursus lang twee tafels gestaan waar fanatiek op was geoefend. En op de laatste dinsdagavond was er dan de ‘gemengd-dubbelcompetitie’, georganiseerd door Arthur Verbiest. Zoals met meer in dat rare afgesloten oord, kreeg die competitie een bizar gewicht: de foyer vulde zich met hele volksstammen; niemand was zeker voor wie er gejuicht moest worden en dus joelde je voor iedereen. Edo  regelde een microfoon en becommentarieerde de wedstrijden, daarbij niet gehinderd door enige kennis van de tafeltennissport, maar zeer geholpen door zijn akelige geheugen: na een week kende hij immers alle namen en wist ook nog waar iedereen vandaan kwam (niet alleen wat betreft de deelnemers maar ook het publiek). Dik twee uur lang ratelde hij door. Dit was Edo op z’n grappigst, een onstuitbare stroom boert, luim en spot kwam los, deels over de hoofden van de studenten heen, maar grotendeels reden voor universele pret.  ‘Nog is Polen niet verloren!’ citeerde hij uit het volkslied als Stanislav met 18-0 achterstond, ‘Deşteaptă–te, române‘ riep hij als een Roemeen voor de zesde keer in het netje sloeg, en alle Italianen maakte hij uit voor ‘asini’ en ‘pigri’. En de vaart waarmee hij er alle commentatorclichés uit liet rollen, deed ons twijfelen aan zijn ‘ik haat sport-claim’.

Schrikken was het als Edo het publiek in stapte, voor ‘indrukken’. Z’n microfoon hanteerde hij als een steekwapen: ineens priemde hij dat ding onder je neus. Tot meer dan gegiechel en gestotter was niemand in staat, ook docenten niet. Geen punt, Edo babbelde onbekommerd voort, gaf liefst zelf de antwoorden op z’n vragen. [Een hoogtepunt, waar we vaak aan memoreerden: Edo: ‘En Sasha, wat denk je van deze wedstrijd?’ Sasha: ‘Aut Roesland’.]Edo 01

In 2010 deed hij z’n twee uur lange performance voor het laatst, toen z’n gezondheid al een stuk minder was geworden. Hij haalde het eind, maar voelde ongetwijfeld dat er een grens was bereikt. In datzelfde jaar kondigde de Taalunie een reorganisatie van de cursus aan. De meeste docenten dachten dat de soep niet zo heet zou worden gegeten, maar Edo kende de arrogantie van de macht beter en diende zijn ontslag in. Misschien was dat wel een goed moment, het hoogtepunt was bereikt en ‘langzaam afbouwen’ lag niet in zijn aard.

Bij het Multatulihuis, 2004, met de houten tulp die ook zijn bureau sierde

 

Hoofdstuk 28 – Na Zeist

In 2010 hertrouwde ik (´driemaal is scheepsrecht,´ sprak Edo bemoedigend). Ik kreeg er weer een kind bij en het erg druk. Edo begon te kwakkelen. Al in 2007 had hij de Marlboro en de Napoléon eraan gegeven. De eetafspraken werden zeldener en de nazit korter. Jaarlijks was er in februari het reünietje op het Spui met Joost Hazenbos, de hettitoloog van de Transsylvanië-expeditie, en op z’n tijd een etentje met Chris van Veen of Philip Ingelse (en dier wederhelften). Tussendoor waren er nog de kopjes koffie bij Wildschut, een biertje bij Studio en een incidentele borrel na een boekpresentatie, promotie of huldiging van een wederzijdse vriend. Dan bespraken we kort de vorderingen van onze wonderkinderen, spuwden ons gal over het zomercursusdebacle en deed Edo verslag van zijn gastdocentschapjes in Roemenië en Slovenië. Ook vertelde hij over Bo, zijn nieuwe liefde. Maar dom genoeg ging ik daar nooit lang op door, haar belang onderschattend en te druk met eigen besognes.

 

Edo jan. 2010
juni 2009, bij de boekpresentatie van de Uitspraaktrainer van Chris van Veen

 

Edo, Boekarest 2009
Boekarest 2009
Edo ljubljana febr. 2010
Ljubljana, februari 2010

 

 

 

 

 

 

 

Ook drong niet goed bij mij door dat het werk op het Felisenum zijn glans had verloren. De leuke dingen daar werden nog wel breed uitgemeten, zoals het luikjesproject waar afzwaaiende leerlingen een bericht voor de volgende generatie konden achterlaten (zie foto), maar het chagrijn ontging me. We waren uit elkaar aan het groeien. Tijdelijk, dachten we, zeker niet voorgoed, daarvoor was er te veel gedeeld verleden.

Luikjesdag, Felisenum 2013, project van Edo met kunstenares Birthe Leemeijer en dichter Menno Wigman

Op 6 februari dit jaar hadden Edo, Chris en ik ons laatste etentje, bij Sama Sebo op de P.C. Hooftstraat. Edo was zorgelijk over zijn gezondheid, maar verder grappig, scherp en voorkomend als vanouds. Ook als vanouds was de snelheid waarmee hij de rekening weggriste en de beslistheid waarmee hij onze bijdrages weigerde. ‘Jullie mogen straks alles betalen, in Reijnders!’ In Reijnders werd echter spa-rood besteld, zij het niet door mij. Ik moest aan de ‘Napoléon’, bleef stuurs vasthouden aan het 35 jaar oude stramien.

Bij de tramhalte op het Leidseplein namen we afscheid, in de natte sneeuw. Over een maand kwam Joost weer naar Nederland en dan zouden we elkaar weer zien. Edo droeg een blauw wollen mutsje. Mijn laatste beeld van hem: een kleine vrolijke man in een dure regenjas met een knullig mutsje op z’n kop.

Mijn moeder werd ziek en ik kon niet naar het reünietje. Joost schreef me er het volgende over:

Edo en ik zagen elkaar op vrijdag 13 maart. Edo’s voorstel vooraf was in verband met zijn toestand “een lichte lunch”, en wij bleken bij dat begrip verschillende voorstellingen te hebben. Bij het verlaten van het PC-Hoofthuis stelde ik voor in een eenvoudig café een tosti en/of een sla te eten, maar Edo (“Sla?!”) bleek naar Luxemburg te willen, waar hij de garnalenkroketten warm aanbeviel, die hij zelf ook nam. Hij was in redelijk goede doen en geestig als altijd, maar zijn stem was duidelijk zwakker dan anders. Ik herinner mij nog dat wij o.a. over Victor Klemperers LTI (Lingua Tertii Imperii) hebben gesproken, maar heb geen benul meer hoe wij daar op zijn gekomen. Ook hebben wij gepraat over een groet van Edo in een van de e-mails in aanloop naar de lunch, “Voor Volk en Vaderland”, een spreuk waarmee een Nederlandse politicus net was gekomen, geloof ik; misschien was dat ook het bruggetje naar de LTI?

Na de inderdaad uitstekende garnalenkroketten hebben wij een beetje over het Singel gekuierd, en Edo heeft daar in een antiquariaat nog twee boeken gekocht, o.a. Vestdijks De glanzende kiemcel (dat had hij weliswaar al, maar een tweede exemplaar om te schenken was nooit weg). Terug bij het PC-Hoofthuis hebben we afscheid genomen. 

Een week later kwam het bericht dat alles helemaal fout zat. Philip Ingelse werd vanaf dat moment de contactpersoon, die belde vrijwel dagelijks met Edo. Eens per week vertelde Philip me hoe het ging. Dat Edo verder niemand wilde spreken, kende ik van mezelf en ik drong dus niet aan.

Ik stuurde hem nog een paar ansichtkaarten en sms’jes. Tot het laatste bleef ik geloven dat hij nog 20 jaar zou leven.

 

 

Hier de enige zowel sprekende als bewegende beelden van Edo. Ik kreeg ze van oud-leerling Daan Kloosterhuis.  Klein stukje Edo (F-Dag 1995).wmv. Ze zijn uit 1995. Arie van den Berg is de spreker en Jeroen Vullings is de man met de stropdas.

(Ooit stond er op YouTube een filmpje met de titel ‘Edo Velema in Boekarest’. Het is verdwenen. Heeft iemand nog een kopie?)

 

Eerste pagina’s van de bundel die Edo liet maken bij zijn afscheid van het Felisenum.

 

Edo Velema 29 – Rekenschap

Allerlei drijfveren had ik om aan dit geschrijf te beginnen, lang niet allemaal bewuste, maar bij elkaar goed voor een dusdanig heftige drang dat ik in drie maanden meer schreef dan in de tien jaar daarvoor.

Een oneigenlijk, onevenwichtig beeld moet ik hebben gegeven, met te veel nadruk op de grappenmaker en op de manier waarop Edo juist mijn bestaan richting gaf. Vandaar misschien dat minder mensen dan gehoopt hebben bijgedragen aan het beoogde ‘digitale monumentje’. Ik vrees een toon te hebben gezet die niet iedereen wil aanslaan als het om Edo gaat. Ik geef het graag toe: Edo verdiende een waardiger Eckermann.

Anderzijds heeft dit blog me bevrijd van mijn verontwaardiging over de ‘slechts’ 300 aanwezigen op de begrafenis. Als ik mijn weblog statistics goed begrijp, is er in drie maanden tijd meer dan 3000 keer een stukje gelezen, door mensen uit maar liefst 34 landen. Mijn preoccupaties en ongeoefende pen werden blijkbaar voor lief genomen; het verlangen om wat dan ook over Edo te lezen, om hoe dan ook met hem bezig te blijven, was kennelijk sterker. Zoals ik al dacht is met Edo een héél bijzonder mens verloren  gegaan en, in tegenstelling tot wat ik even vreesde, is z’n leven allerminst onopgemerkt gebleven.

Had hij dit geschrijf gewild? Vast niet, daar was hij veel te bescheiden voor; niet voor niets zette hij zelf nooit iets op papier, gaf hij niet de lezingen die iedereen graag gehoord had. Maar mijn ijver had hij ongetwijfeld gewaardeerd, of op z’n minst aandoenlijk gevonden. (Of hij het had willen lezen, is een andere vraag: hij had de pest aan vrienden die hem pennenvruchten voorlegden: dat dwong hem tot de ingewikkeldste eufemismes).

Philip Ingelse vertelde me dat hij, niet lang voor zijn dood, met Edo gesproken had over ‘de mortuis nil nisi bene’ (over de doden niets dan goeds). ‘Bene, bene, niet bonum,’ hamerde hij. ‘Goed, correct, juist?’ vroeg Philip. ‘Inderdaad,’ antwoordde hij. Philip weet niet of hij een persoonlijke toepassing beoogde, maar denkt dat achteraf wél.

In mijn verhalen zal door het verdriet iets te veel bonum zijn geslopen, en iets te weinig bene, vanwege het publieke karakter. Soit.

Afijn, dat was het. Dag Edo. Zonder jou was ik een heel ander mens geweest. Het is zo ontzettend jammer dat je er niet meer bent.

 

 

De orde van Edo (Een paar herinneringen aan Edo Velema)

door Maarten Kuilart

 

Over de J in J.E. Velema wilde hij eerst niks zeggen. Ik dacht dat dat iets te maken had met de orde in zijn lessen, of met het gebrek daaraan. “Wie heet er nou zo? Wat een stomme naam.”

De onthulling van dit kleine geheim geschiedde onbedoeld, in een verhaal over een tante die zich had bemoeid met de gang van zaken in huize Velema. “Zou jij je moeder niet eens helpen met de afwas, Jan Edo?” “Dat is hier geen gebruik, tante.”

Aan het belangrijkste wat wij deelden: het vak en het instituut, hoefden we geen woord te wijden. One man one vote, medebeslissingsrecht vagoan (van alle geledingen op alle niveaus), hij schijnt ziek (:schijnt hulpwerkwoord; het koppelwerkwoord [te] zijn kon je ‘erachter denken’), meneer Prior, een voorman van de democratisering – zoals die een vergadering kon voorzitten! Een lust voor het oog, dat wil zeggen: het mijne, want de combinatie lust en mannen onderling bestond voor Edo alleen in theorie, Marjolein van Dordt, die zo leuk eerstejaars met moeilijke gedichten kon imiteren: “Wat moeilijk … wat mooi…” en los daarvan heel inspirerend lesgaf waardoor zij, in ieder geval voor mij, het werk van Lodeizen en Lucebert ontsloot, de sleutel van de roman Bij nader inzien – aan een half woord hadden we genoeg. Dat had als prettige bijkomstigheid dat ons contact al gauw heel persoonlijk was.

Edo en ik hebben elkaar pas leren kennen op het Lorentz. Weliswaar studeerden wij hetzelfde vak bij dezelfde docenten van hetzelfde instituut van dezelfde universiteit, maar ik volgde de MO–opleiding, die toentertijd toegang tot de studie Nederlands bood aan studenten die geen gymnasiale vooropleiding hadden. We hadden beiden gehospiteerd bij Fries de Vries, een gevaarlijke linkse activist in de ogen van velen, lid van de PSP, en namens die partij lid van de Amsterdamse gemeenteraad.

“Maar waarom twee?” had een collega aan Van Daal gevraagd. “Twee langharigen, twee studenten van de GU? Twee van dat Nederlandse instituut. Weet je dat de stem van de professor daar even zwaar weegt als die van een student? Dat zijn communisten,  Hans. Die jongens hebben in het Maagdenhuis gezeten.”   Dat laatste was niet waar. Ik had, op mijn kamer, heel hard gewerkt voor mijn MO-A. Edo en Jeannette waren er wel geweest: ze brachten er een nacht door, in de toga van Stuiveling. Lekker warm en toch socialisties.

Ons werd wel verweten dat wij Amsterdams vergaderden, dat wil zeggen dat wij wel eens iemand in de rede vielen. Doordat we ons haar op dezelfde manier droegen, en ook verder wel op elkaar leken, werden we nogal eens met elkaar verward. “Nee, ik ben Velema. Meneer Kuilart, dat is die dikke.” En omgekeerd.

De leraren van de school waarmee het Lorentz fuseerde, noemden ons ‘de zoontjes van Mientje’, naar Mientje ten Brinke, een lerares Frans in wier kielzog wij regelmatig werden aangetroffen.

Van enige revolutionaire bevlogenheid was bij ons geen sprake, al was het alleen maar omdat wij ook wel inzagen dat wat in het bruisende Amsterdam maar gedeeltelijk lukte, in het slaperige Haarlem-Noord gedoemd was totaal te mislukken. En wat Fries, Frans en ik voor ordeproblemen aanzagen, bleken uitingen te zijn van de manier van werken die de lessen van Edo juist zo uniek zou maken. Wat ze als ordeprobleem in Edo’s eerste jaar niet minder ernstig maakte. Ik herinner me dat Mieke Alting die bij mij in 5-havo zat, mijn lokaal binnenkwam, ik was al begonnen met de les, lijkbleek ging zitten en voor ik kon vragen, wat er aan de hand was, uitbracht: “Red hem!”

Een ander voorbeeld. In De persconferentie van Vestdijk valt het dienstmeisje Ybeltje op door de bijzondere manier waarop zij de gang schoonmaakt: “zij zette een emmer water neer binnen het bereik van haar stevige handen, liep telkens met een vaartje naar de emmer, schepte water op, holde terug naar een deur of een muur, en smeet, terwijl zij een bokkesprong maakte, het water tegen dat gewaand vuile oppervlak, liep even terug, en herhaalde dit procedé, totdat de hele gang droop. Afvegen, of schoonvegen, was er niet bij.” (p. 11- 12) Natuurlijk wilde Edo iets over deze uitgave vertellen (het betrof twee hoofdstukken van een roman die Vestdijk niet heeft kunnen voltooien), maar hij had het boekje in de trein laten liggen. (Voor dergelijke gelegenheden werd wel eens de volgende zinsnede gebruikt: Door een noodlottige omissie onzerzijds … is in de trein van 7.32 van Amsterdam naar Haarlem op 19 september …/ … stonden wij, …,  niet op hetzelfde adres ingeschreven, …/ … was onze     telefoonrekening niet betaald …/ … is mijn scriptie …) Of Fries of Frans of ik wisten of Vestdijk kuitenflikker of bokkesprong geschreven had. Wij wisten het niet. Sterker nog: we hadden het nog niet gelezen. “Terwijl het toch al twee dagen uit is.” Er bleek een aan zienlijk verschil tussen die bewegingen te zijn. Hij besloot zijn demonstratie met de woorden: “Ik weet niet wat jullie doen,  maar ik ga lesgeven.” Een kuitenflikker en een bokkesprong later was hij bij zijn lokaal, 301. In de deuropening riep hij : “Neemt allen plaats!” Toen viel hij languit over een tas. Een leerling op de eerste rij sloot discreet de deur.

“Laten we een lijstje maken van de dingen die we vandaag moeten doen”, zei Jeannette. “En dan zetten we bovenaan: afstuderen.” Edo.

Over dat afstuderen is wel het een en ander te vertellen, vooral in anekdotes over Van Daal, de rector, en Simon Dik, de hoogleraar. Na het verstrijken van de zoveelste deadline heeft Edo zelfs zijn ontslag aangeboden. Van Daal was zo verstandig het te weigeren.

Liever laat ik Edo zelf nog even aan het woord. Toen hij naar het Felisenum vertrokken was, handhaafden wij de gewoonte om aan het begin van de nieuwe cursus elkaar uitvoerig te spreken over het komende jaar: wat de schoolleiding nu weer voor vreselijks had bedacht, welke onderwerpen wij zouden behandelen, hoe onze individuele roosters eruitzagen, enz. Toen hij een paar jaar later zelf in de schoolleiding zat, liet hij zien hoe snel hij in zijn functie was gegroeid. Hij begon het gesprek met de opmerking:  “Wat kunnen leraren zeiken!”

 

 

 

 


Reserve                                                                     door Maarten Kuilart

 

 

Ik moet tijdelijk ontoerekeningsvatbaar zijn geweest of tenminste verregaand onnozel dat ik op grond van de volgende overwegingen gedacht heb dat Edo en Jeannette de gelukkigste mensen ter wereld waren: hun hele huis vol boeken, ze hadden ongeveer hetzelfde gevoel voor humor, ze woonden in het centrum van Amsterdam dat ik net had verlaten voor een truttige wijk in Haarlem en een van de aardigste boekwinkels van Amsterdam, Lankamp en Brinkman, was bij hen om de hoek. Het enige wat enigszins afbreuk gedaan zou kunnen hebben aan hun geluk, was dat Edo op zijn tenen moest staan om Jeannette een zoen te geven. Lang heeft mijn indruk dat het verschil in lengte hun enige probleem was, niet bestaan. Het eerste barstje in het beeld dat ik van hen had, openbaarde zich toen ik, met lijn 24 op weg naar de Bronckhorststraat, Edo en Jeannette en een wat oudere vrouw die overduidelijk haar moeder was, de Vijzelgracht zag oversteken. Voorop liepen die twee vrouwen, allebei een beetje voorovergebogen, een heel licht slepende tred, maar toch stevig de pas erin, en daarachter Edo, mokkend en sjokkend. Hij bungelde echt achter die twee vrouwen aan, en ik kon me zonder veel moeite zijn ideale zaterdagmiddag voorstellen.

(Deze laatste zin is een enigszins aangepast citaat uit het werk van zo niet de lievelingsschrijver, dan toch een van de lievelingsschrijvers van Jeannette, en van mij. Hoe heet deze auteur en uit welk boek is dit citaat afkomstig? Of dit ook de meest favoriete schrijver van Egbert B was, herinner ik me niet. Wel dat hij met Jeannette hele gesprekken kon voeren in de stijl van de auteur. Aan die gesprekken had ik ook wel willen deelnemen, vooral toen ik ontdekte dat het hockeytype dat Jeannette eens aan mij voorstelde, dezelfde was als de persoon die ik kort daarvoor officieus had uitgeroepen tot de Allermooiste Jongen van het Instituut.

Egbert B heeft een keer bij het Lorentz gesolliciteerd. Van Daal, de rector, kwam bij ons tafeltje verslag doen van het telefoongesprek dat hij met “meneer B” had gevoerd; als extra attractie vermeldde hij dat de sollicitant “in een jongenshuis woonde”. Wat hij daarmee bedoelde, is altijd onopgehelderd gebleven.)

“Waarom stapte je niet uit?” vroeg Edo. “Je had me kunnen redden.” “Ik had een afspraak.” “Maar daarom bel ik niet. Ik ben bij M. Die is jarig.” Dat verklaarde het rumoer op de achtergrond. “We hebben het over Elsschot. Over Lijmen. We kunnen alleen niet op de namen van die auto’s komen. En M heeft dat boek niet. Nou is mijn vraag: hoe heten die auto’s in Lijmen? Wil jij dat even opzoeken. Je zit vermoedelijk toch maar te niksen.”

Dergelijke kwesties dienden onmiddellijk te worden opgelost, anders dreigden zij de sfeer voor de rest van de dag te bepalen. Zo had Jeannette eens volgehouden dat duin ook vrouwelijk kon zijn, maar waar in de Kennemerduinen kon je dat opzoeken? Na anderhalf uur waren ze weer terug. Jeannette had gelijk, “maar alleen deze keer”, had hij er geruststellend aan toegevoegd.

Dinsdagmiddag na school had Edo bij Lankamp en Brinkman het Verzameld Werk van Elsschot gekocht en hij was dat meteen maar bij M gaan brengen. Dat was het begin van een lange rij Nieuwe Verloofdes, ook wel Reserves genaamd. Dat laatste woord drukte heel duidelijk uit dat Jeannette er altijd zou zijn.

 

 

Edo Velema, conrector van het Gymnasium Felisenum van 1996 tot 2014     door Jaap de Jonge

Het grootste deel van zijn carrière aan het Gymnasium Felisenum was Edo conrector onderwijs, in het begin onder de noemer ‘bovenbouwcoördinator’. In de achttien jaar die dat besloeg was ik naast mijn werk als wiskundeleraar eerst decaan en daarna coördinator van de klassen vijf en zes, waardoor ik in de schoolorganisatie veel met Edo te maken had. Ik denk met erg veel plezier aan die tijd terug. We hadden min of meer dezelfde ideeën over onderwijs, waardoor onze samenwerking in het algemeen heel soepel verliep. Ik heb veel van hem geleerd, maar als ik aan hem terugdenk is dat in de eerste plaats omdat ik ontzettend met hem kon lachen.

Hoewel Edo zich tot vlak voor zijn pensioen met hart en ziel voor de school bleef inzetten, waren zijn beste jaren zonder twijfel die onder het rectoraat van Harry Rours, een van zijn beste vrienden, die hij er in 1993 zelf toe bewogen had op het Felisenum te komen werken. Ik denk dat de school er veel profijt van heeft gehad dat Edo en Harry met elkaar konden lezen en schrijven. Edo had respect voor Harry’s leiderschap en financiële kennis én het feit dat Harry goed kon lesgeven. Harry had ontzag voor Edo’s intellectuele, didactische en sociale talenten en hij had groot vertrouwen in Edo’s kijk op onderwijs, die dan ook goed aansloot op die van hemzelf.

In 1996 ging de enige conrector, de inmiddels overleden leraar Engels Pieter van der Klugt, met pensioen en zouden er in plaats van een conrector drie ‘coördinatoren’ komen. Edo wilde coördinator bovenbouw (de klassen drie tot en met zes) worden. Hij was vijf jaar eerder door oud-leerling en collega Jeroen Vullings naar het Felisenum gehaald en stond al lang bekend als een goede, inspirerende leraar en een begenadigd, erudiet spreker. Er was dan ook niemand die hem het coördinaat betwistte. Hoewel de schoolleiding na het vertrek van Van der Klugt formeel eenhoofdig werd, was Edo’s rol niet veel anders dan toen hij een paar jaar later conrector onderwijs zou worden: de onmisbare rechterhand van Harry, met wie hij ruim tien jaar lang de koers van het Felisenum bepaalde.

Harry en Edo waren zich er als geen ander van bewust dat zelfstandige gymnasia vanaf het begin van de jaren negentig in het hele land de wind mee hadden, maar zij zorgden er in elk geval voor dat het Felisenum daarvan optimaal profiteerde: de populatie groeide onder het rectoraat van Harry van ruim driehonderd tot iets meer dan zevenhonderd leerlingen, een aantal dat daarna niet meer is gehaald. Met plezier merkte Edo soms op dat de top van 706 leerlingen werd gehaald tijdens zijn waarnemend rectoraat, toen het na Harry’s vertrek nog een paar maanden duurde voor er een nieuwe rector was gevonden.

Vlak voor het begin van het nieuwe schooljaar nodigde Edo me in augustus 1996 bij hem thuis uit, om te eten, drinken en te praten over onze samenwerking als nieuwbakken decaan en bovenbouwcoördinator. Ik geloof dat we er na tien minuten uit waren: met die samenwerking zou het wel goed komen. De rest van de tijd, tot na middernacht, was Edo vooral een zeer onderhoudende gastheer, die in zijn woordenstroom van uitweidingen over onder meer literatuur, taalkunde, muziek, film en onderwijs galant dammetjes opwierp om mij op adem te laten komen en een bescheiden bijdrage aan ons gesprek te laten leveren. In de langdurige samenwerking die volgde, zette Edo meestal de toon, maar zorgde hij er bijna altijd voor dat hij me niet overstemde.

Edo was een grote plaaggeest, met name wanneer hij een goed humeur had. Hij had het vooral op mensen gemunt op wie hij gesteld was, zoals vrijwel alle leerlingen of zijn kamergenoot, Marja van der Kooij, lerares Engels en coördinator van de klassen een en twee, die gelijk met – en in navolging van – Edo met pensioen ging. Geestdriftig gaf hij af op sport, popmuziek en volwassenen (vooral mannen) in kleding die afweek van zijn voorschriften.

Ik had altijd veel aan sport gedaan, hield van allerlei popmuziek, had niet altijd de bovenste knoopjes van overhemden dicht en liep in de zomer graag in korte broek, en was dus een dankbaar mikpunt van zijn spot. Ik had eens een serieus gesprek met een ouder in een klaslokaal, toen Edo – onzichtbaar voor mijn gesprekspartner – gekke bekken ging trekken voor de ramen waarop ik uitkeek. Graag deed hij stiekem de lokalen van lesgevende collega’s op slot (die ze zelf overigens weer konden openen), haakte hij tijdens de pauzes generaties leerlingen pootje en brak hij luidruchtig en eloquent in bij lessen van verbouwereerde docenten, die daarna grote moeite hadden de aandacht van de klas weer bij de eigen les te krijgen. Een ding was zeker: als hij dat deed, was hij in een goed humeur en vond hij het gezellig. Natuurlijk deed ik allerlei onzinnige dingen, wist ik allerlei belangrijke dingen niet, gaf ik wiskunde en hield ik van slechte kunst, maar hij wist dat ik dankbaar was dat hij me het onderscheid tussen beperkende en uitbreidende bijzin had uitgelegd, dat ik Canetti’s Het Martyrium en Murdochs The Sea, the Sea mooie boeken vond, toch ook veel van klassieke muziek hield en een even grote afkeer had van charlatanerie en pretentieuze claims in het onderwijs als hij.

Ik dacht er niet veel anders over dan Harry en Edo: gymnasiaal onderwijs staat of valt bij leraren met een grote intellectuele belangstelling die veel van hun vak weten, met kinderen kunnen omgaan en gefaciliteerd worden om hun leerlingen intellectueel zo veel mogelijk te laten groeien. Doen alsof het veel meer is dan dat, staat daar al snel op gespannen voet mee. Met zijn ervaringen op onder meer de Hogeschool van Amsterdam wist Edo maar al te goed hoe allerlei secundaire belangen goed onderwijs kunnen bedreigen en ervoor kunnen zorgen dat het van doel tot ideologisch middel verwordt. Net als ik was hij erg huiverig voor mensen die de evidentie van het nut van ‘Bildung’ ondergraven door het te willen expliciteren en ter discussie stellen. Zeker, door zijn onvermoeibare en onophoudelijke verspreiden van intellectualiteit was Edo voor het Felisenum al van onschatbare waarde. Maar een andere grote verdienste was de school door stormen van onderwijskundige gekte te loodsen.

De inspectie had erop aangedrongen dat er een meerhoofdige schoolleiding kwam in plaats van het rectoraat met drie coördinatoren zoals dat sinds 1996 had bestaan. En zo kwamen er in 2002 opeens twee conrectoren: wiskundeleraar Hans Bijl voor de organisatie en Edo voor het onderwijs. Een van de dingen die Edo introduceerde was de kwaliteitscommissie, waarvan hij de voorzitter was, die wekelijks bijeenkwam om vrijelijk te praten over zaken die van belang waren voor de school en naar aanleiding daarvan voorstellen te doen aan de schoolleiding. Ook Harry zat erin, evenals Sjoerd van de Berg, die toen docent klassieke talen en coördinator van klas 3 was en tegenwoordig rector is van het Gemeentelijk Gymnasium in Hilversum. Verder zaten nog Guido Linssen, natuurkundeleraar en toenmalig voorzitter van de MR erin, en ik, als decaan en inmiddels coördinator van de zesde klas.

Spectaculair was het allemaal niet wat er werd besproken, maar er kwamen weloverwogen voorstellen uit voort. Het bespreken, nog eens overdenken, ‘masseren’ van de geesten van kritische collega’s en voorzichtig doorvoeren van veranderingen – met de nadrukkelijke mogelijkheid van tussentijdse aanpassingen – noemde Edo licht ironisch ‘incrementele implementatie’. De lessentabel werd hier en daar wat bijgesteld; ‘versterkt Engels’, door Edo sterk bepleit als compromis tussen Engels als ‘gewoon vak’ en het snel aan populariteit winnende ‘tweetalige onderwijs’, werd ingevoerd, alsook het vak filosofie; muziek werd gepromoveerd tot eindexamenvak. Het ideologische slagschip dat Tweede Fase heette, onttakelden we onder leiding van Edo tot het strikt verplichte, zoals invoering van rare ‘deelvakken’ als Frans 1. Het woord ‘studiehuis’ weerden we zelfs volledig uit het Felisenumvocabulaire. Toen na jaren ook de overheid niet kon ontkennen dat veel van de problemen van de Tweede Fase geen kinder- maar aangeboren ziekten waren, had dat het Felisenum gelukkig een minimum aan frustratie en weggegooid geld gekost, niet in de laatste plaats door de Edo’s beleid van incrementele implementatie.

Hij had een hekel aan nieuwlichterij, maar verzette zich niet tegen veranderingen an sich. De komst van computers beschouwde hij als onderdeel van een veranderende samenleving waarin het Felisenum behoedzaam meebewoog, en hij was ronduit enthousiast over een door bevlogen docenten ingevoerde nieuwe didactiek voor Frans, waarin taalverwerving wordt ondersteund door gebaren. Zelf was hij echter nauwelijks bezig met onderwijsvernieuwing en bekwaamde hij zich vooral in het ‘management by walking around’, zoals hij het zelf spottend noemde, in de overtuiging dat hij het onderwijs op het Felisenum het best diende door het te behoeden voor overhaaste, door de (politieke) waan van de dag opgelegde veranderingen. Edo liep heel veel rond door de school, maakte heel veel praatjes en gaf het personeel en de leerlingen het gevoel dat ze gezien werden.

Hij zorgde er ook voor dat hij zelf gezien én gehoord werd: zijn stem was de hele dag door in de gangen van het gebouw te horen, doordringend, dwingend maar bijna altijd vrolijk. Hij kende de namen van ontzettend veel leerlingen, wist van wie ze een broertje of zusje waren, wanneer ze een ziek konijn hadden. Voor collega’s die een zoon of dochter hadden gekregen, kocht hij een passend cadeautje. We begonnen zelden aan een overleg zonder dat hij voor ons allebei een appelflap kocht. Het was onvermijdelijk dat hij als conrector niet aan conflicten ontkwam, maar verder was hij het hoorbaar kloppende hart van de school.

Edo zorgde voor de school door zich in de leerlingen en het personeel te verdiepen en ze een plaats te geven. Veel van de organisatie liet hij graag over aan collega Hans Bijl en aan Harry en diens opvolger. Er waren misschien niet zo heel veel dingen die hem na aan het hart lagen, maar wanneer dat wel het geval was, zorgde hij voor een minutieuze organisatie. Rond het eindexamen kon de kleinste oneffenheid al zijn grote toorn opwekken. Was aan het eind van een examenzitting het gemaakte werk ingeleverd, dan verdroeg hij niets voordat alles piekfijn geordend en geadministreerd was.

Toen Harry in 2007 stopte als rector, veranderde er veel voor Edo. Hij was succesvol als waarnemend rector, met grote loyaliteit door de rest van het personeel gesteund, maar merkte dat hij onder de nieuwe rector niet meer kon werken als voorheen. Overeenstemming over de te volgen koers was niet langer vanzelfsprekend en het lukte Edo niet goed zich te schikken in de nieuwe situatie. Hij was erg blij met de zomercursussen die hij in Zeist gaf aan getalenteerde studenten Nederlands uit het buitenland. Het betekende voor hem een welkome afwisseling van zijn werk als conrector, waarin hij zich steeds meer gekortwiekt voelde. Zijn liefde voor de leerlingen werd er niet minder om. Met groot enthousiasme bleef hij tot het eind van zijn carrière lessen grammatica in de eerste klas geven. Met een ingenieuze constructie slaagde hij erin Russisch een paar jaar eindexamenvak aan het Felisenum te maken.

Hoewel hij in zijn laatste jaren nog maar weinig lessen gaf, raakte Edo onder leerlingen steeds geliefder. Op een gegeven moment verspreidde zich het gerucht dat hij badeendjes spaarde, wat hem ongevraagd een verzameling van honderden eendjes van over de hele wereld opleverde, die hij in zijn werkkamer – de zogenaamde Velematheek – in een vitrinekast tentoonstelde.

Personeel, ouders, leerlingen: iedereen voelde zich vereerd als hij door Edo werd toegesproken, om welke grote of kleinere feestelijke reden dan ook. Nooit maakte hij zich daar met een jantje-van-leiden vanaf. Vaak was ik de gelukkige aan wie hij zijn speeches voorlegde. Was het zo goed? Was het niet te kort, bevatte het niet te veel clichés, was het wel persoonlijk genoeg, was het wel geestig? Van alle goede herinneringen aan Edo gaat er geen boven de honderden uren die we achter zijn computer doorbrachten, vlassend op goede formuleringen in teksten voor brieven, brochures, uitnodigingen, aan leerlingen, ouders, collega’s, de gemeente Velsen, wie of wat dan  ook. Nooit zal ik de ‘Lofotenbrief’ vergeten die hij aan het ministerie van OCW stuurde naar aanleiding van de regelgeving omtrent de Rekentoets, omdat daarin wel heel duidelijk stond wanneer leerlingen zouden zakken maar niet wat ze in dat geval zouden moeten doen. Edo wilde graag met de beleidsmakers meedenken: “Wilt u misschien dat wij ze naar de Lofoten sturen?” Het leek hem (en mij) niet absurder dan de hele rekentoets als zodanig. Ik geloof niet dat hij er ooit antwoord op heeft gekregen.

In een artikel in de IJmuider Courant naar aanleiding van zijn overlijden werd Edo ‘Mister Felisenum’ genoemd. Hoezeer hem die titel toekwam bleek meteen al op zijn begrafenis, waarbij niet alleen tientallen (oud-)collega’s maar ook tientallen (oud-)leerlingen van het Felisenum aanwezig waren. Voor deze Mister Felisenum wordt gewerkt aan een gedenkstuk in de school, om hem tot in lengte van dagen te blijven eren.

 

Edo’s Roma – door Anita van der Hulst

Begin april 2010, een klein jaar na mijn eerste zomercursus, fietsen mijn man Paul en ik richting de Slaakstraat. Paul foetert: “Waarom moet ik mee? Het is toch een vriend van jou! Een hele avond voor die paar tips over Rome.” Vijf minuten later, nog voor hij Paul hoffelijk uit zijn jas geholpen heeft, weet Edo hem al in te palmen.

Na een eerste gróót glas geurige witte wijn neemt Edo ons mee naar de eettafel. Die ligt vol met stapels van een halve meter aan boeken over Rome. Hij heeft zich weten te beperken tot de allerbelangrijkste boeken en van deze acht hij het noodzakelijk dat we ze allemaal voor ons vertrek –over ruim een week- nog zullen lezen. Van ongeveer de helft wil hij graag dat we ze meenemen, zodat we ze in Rome bij de hand hebben.

Edo spreidt een grote doorleefde stadskaart van Rome uit over die stapels boeken. De rest van de avond en de nacht, het is drie uur als we afscheid nemen, staan we daar gebogen over die kaart. Edo struikelt over zijn woorden om in hoog tempo de ene na de andere bezienswaardigheid op te sommen die je bij een eerste bezoek aan Rome gezien moet hebben. Als een ijverige leerling-journaliste begin ik aantekeningen te maken, want na een minuut of tien begint het ons al te duizelen. Over alles krijgen we een college, met de historische achtergrond, verhalen en vreemde details. En voortdurend neemt hij ons de maat. “Paus x uit de twaalfde eeuw, zijn geschiedenis kennen jullie neem ik aan?” We worden er lacherig van wat Edo uitdaagt tot het vertellen van hilarische anekdotes.

Het wordt een dolle avond. Om een uur of één stappen we over op rode wijn, onze kennismaking met de Valpolicella Ripasso, met een bedwelmend rijke smaak. Die wijn is in de jaren daarna misschien nooit meer zó lekker geweest door de sfeer op deze avond. Nog altijd brengen we een toast uit op Edo als we een Ripasso drinken.

Bij het afscheid splitst Edo ons twee volle boodschappentassen met boeken in de maag, als minimum om ons in te lezen. Paul hangt ze aan weerskanten van zijn stuur, hij acht dat beter dan ieder één tas waardoor je fiets uit het lood hangt, en we slingeren naar huis.

We vertrekken op zaterdag en het toeval wil dat Edo de zondag tot en met de lunch ook in Rome is vanwege een bezoek aan de grote Caravaggiotentoonstelling. We spreken af bij Piazza del Popolo. Na een eerste koffie –nóóit een espresso bestellen in Rome, maar een caffè en je niet laten afschepen met een americano, een filterkoffie- gaan we naar de Santa Maria. Die ochtend lopen we als eendenpullen achter Edo aan, hij dribbelt op zijn herenschoenen voor ons uit, voor een eerste kennismaking met de stad, de absolute hoogtepunten, voortdurend pratend. Hij lijkt onvermoeibaar, wij zijn na een paar uur helemaal overrompeld. Paul rent even van ons weg, om te kijken wat voor boom het is die in bloesem staat. “Hm,” zegt Edo met gespeelde minachting, “weet hij iets van de natuur?” We lunchen heel sfeervol boven de kloostergalerijen van het Santa Maria della Pace. Onmerkbaar weet Edo de rekening te betalen, terwijl wij de beursjes in de hand hebben om hem voor te zijn. Later vertelt hij dat hij maar ternauwernood zijn vliegtuig naar Amsterdam heeft gehaald.

Die week werken we trouw de lijst van Edo af, het een is nog mooier en indrukwekkender dan het ander. Als het einde van de week nadert hebben we pas de helft van de lijst gezien. Maar door een uitbarsting van de IJslandse vulkaan Eyjafjallajokull zitten we vijf dagen langer vast in Rome. Ik stuur Edo een bericht en hij antwoordt: Bofkonten!  Maar eerst ben ik wanhopig, mij wacht een drukke week vol met afspraken die ik vanuit Rome in het enige overvolle internetcafé van de stad moet zien te verzetten. Uiteindelijk is het natuurlijk een geschenk uit de hemel.

Het heeft mij na die avond waarin hij ons de hoogtepunten aanraadde nog veel moeite gekost om mijn haastige gekrabbel te ontwarren en te achterhalen waarover het ging en hoe je het precies schreef, en ik ben bang dat dat niet overal gelukt is (sorry Edo). Stoor je asjeblieft niet aan de fouten. Graag draag ik Rome volgens Edo aan jullie willen over. Ik zou wensen dat jonge en oude, verre en nabije vrienden van Edo de stad zien door zijn ogen. Probeer zijn stem in je achterhoofd te houden. Bedenk wel dat dit volgens Edo een éérste kennismaking met Rome betreft. Het gaat om de bezienswaardigheden die je volgens Edo gezien moet hebben. Daarna heb je je handen vrij voor de rest van de stad.

Rome volgens Edo

 Neem een kijker mee!

1 Piazza del Popolo

– Piazza del Popolo. Sta. Maria del Popolo. Montericcio, grote frescoschilder, plafonds achter het altaar. Rafael en Bernini. Er hangen twee Caravaggio’s: De kruisiging van Petrus en Saulus Paulus valt van paard.

– Galleria Borghese. Hoort bij de Musea die moeten. Prachtige beelden van Bernini. Regel via internet een entreekaartje. Daar de Danae van Correggio

2 Middeleeuwse stad

-Veccia Roma. Onthoud dat je altijd moet staan in een tavola caldo = een lunchrestaurant voor de Romeinen.

– Via del Corso = 1500 meter

– Santa Maria della Pace.

– Lekkerste koffie. Piazza Eustachio. Achter de kerk

– Cul de Sac: Fantastische wijnkaart en ook heerlijke hapjes. Bij Pasquino.

– San Ignacio.

– Chiesu del Gesu.

– In de Scuderie del Quirinale: de Caravaggio-tentoonstelling. Ook daarvoor moet je van tevoren kaartjes regelen via internet.

– San Lorenzo in Lucina. Schilderij Kruisiging van Christus. Christus lijkt op te lichten.

– Piazza Colonna – Zuil Marcus Aurelius bij twee Palazzi.

– Naast het Pantheon: Enige Gotische kerk in Rome: Sta Maria supra Minerva. Met voor de ingang een olifantje van Bernini. Zie ook de Christus van Michelangelo. Helemaal achterin: Filipino Lipi.

– In de San Agostino hangt ook een Caravaggio en is er ook een fresco van Rafael.

– Ara Pacis, antiek altaar in modern glazen gebouw. Bij mausoleum van keizer Augustus.

3 Forum Romanum

– Palazzo Altemps. Daar de mooiste klassieke beelden. En heel weinig bezoekers.

4 Bij St. Pieter

– Voor de Sixtijnse kapel, alleen ’s ochtends heel vroeg proberen, de ingang aan de noordkant van het plein.

– Bij de parkeerplaats bij Adriana zit een goede enotheek

5 Trastevere

– Villa Farnesina. Loggia’s. Zeenimf van Rafael. Het gaat om het interieur.

– Favoriete plein: Pte Sisto. Piazza Trilussa.  Daar Enoteka Ferrara.

– Santa Maria in Trastevere: een mozaiek uit de 8e eeuw

– Terras bij Sta Maria: aan andere kant van het plein, een beetje rechts, een doorgang door naar een ander pleintje. Daar terrassen, een met jonge mensen, daar goedkope drank.

– Kerk San Pietro in Montorio

– Naast kerk San Pietro in Montorio: mooi uitzicht op de stad bij Tempiento van Bramanto.

– Sta Cecilia. Haar beeld uit 1600, abdis uit de 9e eeuw. Verder spuuglelijke rococo. Eronder zijn Romeinse woningen, als je daarheen wilt, moet je je wenden tot de nonnen.

– San Francesco a Ripa. Barok. Zijkapel gemaakt door Bernini.

6 Joodse buurt

-De synagoge is 19e-eeuws

– Musei Capitolini, over Forum Romanum. Daar de wolvin en andere greatest hits.

– Piperno = een joods restaurant. Op de Piazza Monti di Pieta.

-In de Via del Portico naast de portica een goed restaurant, met artisjokken op z’n joods.

7 Buitenwijken

– Monte Testaccio (Schervenburg). Leuke wijk, beetje krakers, alternatief. Tussen kunst en kitsch.

– Santa Sabina. Eerste afbeelding van Christus aan het Kruis, ca. 324. Daarnaast sinaasappeltuin. Heel mooi uitzicht.

– Hier komt niemand: Centrale Montemartini. Museum van antieke kunst. Heel erg mooi.

– Basilica di S. Paolo fuori le Mura. Heel groot. Afgebrand, gereconstrueerd.

– Niet missen: San Clemente aan de Via Labicana.

– Santa Maria Maggiore. Fantastische vroeg christelijke fresco’s en mozaïeken.

– Ook vroeg-chr.mozaiek in de San Prassede.

– San Gregorio Magno. Daarbij een Romeinse weg. Cilvo di Scauro.

– Basilica San Giovanni in Catevano. Met de heilige trappen.

– San Carlo alle Quattro Fontane, van Boranini. Daarbij de Sant’Andrea al Quirinale, van Bernini.

Ten oosten van het stadscentrum: Santa Constanza, een kerk uit 378

 

 

Aldus Edo’s bevlogen handreiking voor een eerste summiere kennismaking met de eeuwige stad, pas hierna kan en mag je de diepte in. Weet dat er heel veel voetstappen van Edo in Rome liggen en hij altijd als je daar bent met je meeloopt.

 

 

 


Denkend aan Edo, 1 – door Marja Kristel

Zijn stem: ‘ja, met Edo’. De klinkers wat gerekt, het klinkt deftig. ‘Je bent er dus niet.’ Klik, einde bericht.  Bij het horen van Edo’s naam is er een grote glimlach op mijn gezicht verschenen, want dit telefoontje is een voorbode van een dag samen op stap.

Zo’n uitstapje begint op het station van Leiden, daar staat Edo op me te wachten als ik uit de bus stap. Hij houdt het diabetes-spook in toom met een croissant, begroet ondertussen een oud-leerling die op weg is naar het LUMC voor haar co-schap. Edo produceert zonder aarzeling haar naam. We stappen in de trein, deze keer is het doel Hofwijck in Voorburg. Het is moeilijk om je de oorspronkelijke idyllische ligging voor te stellen nu tuin en huis omringd worden door spooractiviteiten. Ik geniet van een privé-college over Huygens.  Daarna lopen we Voorburg in, op zoek naar een plek voor de lunch. De menukaarten van de eerste twee restaurants worden welwillend bekeken. ‘Maar was hier niet dat restaurant van die Henk Savelberg?’ Vijf minuten later lopen we de oprijlaan in naar het restaurant van ster-kok Savelberg. De deur van Vreugd & Rust (‘waar doet die naam jou aan denken, hm?’) gaat open  en Edo meldt aan het ontvangstcomité, dat uit twee mannen bestaat, dat we hier bij toeval langskwamen en of de heren dachten dat we hier wat zouden kunnen eten? Dat dachten de heren van wel en even later zitten we in een lichte serre aan een linnen gedekte tafel met veel glazen. Er zijn nog twee tafels bezet met mannen in pak. Edo bestelt eten en wijn en water en excuseert zich daarna omdat hij wil bellen met zijn BO. Ik zie hem in de tuin staan praten. Voordat hij de drempel weer oversteekt, haalt hij een hand door zijn haar dat nu weer een soort halo vormt rond zijn hoofd. Vele amuses, een viergangenlunch en  een fles wijn later kuieren we terug richting station Voorburg. In Leiden stapt Edo ook uit en besluit dat we nog even wat drinken. Op het terras van Van der Werff  wordt Edo vol getroffen door een indrukwekkende streep meeuwenpoep: het zit in zijn haar, op zijn kin, op zijn jas en zijn broek. Het doekje waarmee de serveerster zojuist nog twee tafeltjes afveegde, wordt nu gebruikt om Edo te ontdoen van de meeuwenpoep. Hij incasseert de voltreffer gelaten – ‘Gelukkig dat het niet in mijn glas terechtkwam hè?’ Edo brengt me naar de bus en wacht tot deze zich in beweging zet. We zwaaien naar elkaar.

Ondertussen is niet alleen Huygens besproken, maar ook het Felisenum , oud-cursisten en -docenten van de zomercursus, de IVN, de Taalunie, de stand van zaken van de neerlandistiek in Roemenië, de vertaalactiviteiten van Sorin Ciutacu, (alle) nieuwe literaire uitgaven. We hebben het over het donateurschap van een amateurorkest, een klein museum e.d., verhuisplannen, stoppen met werken, onze geliefden.

’s Avonds een sms’je van Edo: z’n jas is mooi opgedroogd, geen spoor meer van de meeuwenpoep. De glimlach die nog steeds niet van mijn gezicht verdwenen is, verandert in een brede grijns.

Denkend aan Edo, 2 – door Marja Kristel

Nog een uitstapje. Dit begint met een dikke envelop bij de post. Daarin een plat doosje met tot mijn verrassing tien gele roosjes met een kaartje erbij ; ‘tijd voor een contactmoment?,  Edo’. De toon is gezet.

Deze keer gaan we, weer via het station van Leiden, naar Rotterdam: de nieuwe Markthal, een tentoonstelling in het Wereldmuseum over Javaanse sieraden en lunch in het inmiddels befaamde restaurant van datzelfde Wereldmuseum. Januari 2015 en het is winter. Er waait die dag een ijzige wind en echt droog wordt het niet. De metro in Rotterdam lijkt een doolhof. We staan een poosje te turen op de lijnborden, ons hoofd afwisselend naar links en rechts gekanteld. Edo vraagt hulp aan een passerende Rotterdamse, er ontspint zich meteen een geanimeerd gesprek. De mevrouw brengt ons naar het goede perron en zwaait ons uit – het Edo-effect. De afstand tussen de uitgang van de metro en de ingang van de Markthal is zo’n vijftig meter. Met opgezette kragen en tranende ogen stappen we over de drempel  van de Markthal die inderdaad imposant is. Maar ook hier is het koud. De mensen die daar werken dragen dikke kleding en handschoenen, ze zijn stuk voor stuk verkouden. We voelen de kou door onze schoenzolen heen. Originele architectuur, een gebouw met een duidelijk ‘smoel’, maar wij krijgen het er maar niet warm van. Wij willen weg, de metro in, richting Wereldmuseum. Deze keer gaat het in één keer goed. Langs de Maas lijkt de wind toegenomen tot stormkracht. We waaien het Wereldmuseum in en geven bij de garderobe onze jassen af. Mijn voorstel om eerst de tentoonstelling te bekijken wordt niet serieus genomen: we stappen rechtstreeks het comfortabel warme restaurant binnen. Edo onthoudt zich sinds enige tijd van alcoholische drankjes vanwege ‘verkeerde suikerwaardes’. We nemen het lunchmenu, dat er aantrekkelijk uitziet en laten ons verleiden tot een extra:  witte truffel. Edo’s gezondheid laat wat te wensen over – ‘het valt erg mee hoor’- die suikerwaardes natuurlijk, maar hij heeft ook problemen met zijn gebit. Hij lijkt kwetsbaarder maar hij is even alert als altijd.

Edo’s zoon Jan komt ter sprake. Hij is geïnteresseerd in het onderwerp van Jans promotieonderzoek. Ik heb er voornamelijk van onthouden dat het iets te maken heeft met het al dan niet aanwezige politiek bewustzijn van de bewoners van de Republiek, eind achttiende eeuw. Edo is graag klankbord en leest mee. Zijn brede academische interesse valt hier samen met zijn vaderrol.

Tijdens onze rondwandeling over de tentoonstelling blijkt dat Edo helemaal niet van Land-en-Volk-musea houdt. Zijn definitie van een museum staat geen totempalen, speren en al dan niet primitieve gereedschappen toe. Toch bewondert hij de wijze van tentoonstellen en hij heeft waardering voor de toelichting bij de sieraden. Aan het eind van de tentoonstelling bedankt hij me voor het bezoek. Ik voel dat ik bloos!

Na een week of twee een telefoontje van Edo om me te vragen of ik de berichten in de krant heb gelezen over de problemen van het restaurant van het Wereldmuseum én het museum zelf. En of ik me herinner dat ook het restaurant in Voorburg van Savelberg kort na ons bezoek (zie: Denkend aan Edo -1) ter ziele is gegaan? Gepensioneerd, jawel, maar niet te onderschatten! Moeten we de volgende keer een waarschuwing laten uitgaan? Ja, dat zullen we doen.

 

edo

Advertenties

Een gedachte over “Over Edo

  1. Dag Kees,

    Dankjewel voor je bericht met het aardige initiatief. Ik heb 27 augustus in mijn agenda gezet. Dorin komt de maand februari in het Vertalershuis, misschien wil hij ook wel komen.

    Ik wil heel graag de nieuwste versie van de stukken over Edo. Ik had dat al eerder aangegeven, maar niet “boven de lijn”, dus dat bericht heeft jou niet bereikt.

    Een hartelijke groet,

    BO

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s